Ik lees sinds een jaar nos.nl in plaats van nu.nl voor nieuws. In de veronderstelling dat het beter was. Was ja:
Ik surf zojuist naar nos.nl en ik klik op een van de dikgedrukte koppen en lees een artikel en plots sterft er iets in mij. Waarom lees ik dit artikel? Ten eerste: wat errug. Daarna: wat bezielt me om het aan te klikken in de eerste plaats? Zondagavondredactie, alsjeblieft.
Dit kán op geen enkele mogelijk manier nieuws zijn. Ik wil wissen wat ik las. Dat dit soort onzin over was.
Oorlog. Dan heb je het dus over het op het ‘spel’ zetten van mensenlevens. Mensen die wereldburgers zijn. Mensen die ook honderd meter aan een andere kant van een willekeurige grens geboren hadden kunnen worden, waardoor vijand vriend was en vriend vijand. Mensen die elkaar op commando (kunnen? willen? in ieder geval: doen!) afslachten. Mensen met emoties? Mensen met emoties! Met gedachten. Met heilige hersentjes. Mensen die als ze slachtoffer worden van onze kunstmatige onenigheden over dat macht en geld, niet meer zijn, niets meer kunnen.
Wat ik snap is dat we van mening verschillen. Wat ik snap is dat je dan soms uit je slof schiet, even je energie kwijt moet: met scheldwoorden met sporten met iets. Wat ik niet snap is het geweld, is het onrecht. Initator van ellende verafschuw ik.
Is het dan zo saai zonder? Is vrede te saai voor ons menselijk bestaan? Oorlog is net als Russische roulette.
(Oké. Eerlijkheidshalve: ik keur geweld alleen als reactie goed op geweld, maar anders ben je niet meer menselijk maar word je een mensenlijk.)
Slotrijmpje:
Hé, we zien het allemaal op tv.
Gaan vervolgens naar de plee.
Niets dat ons nog verroert.
Morgen weer werken, eten, daten,
en dan weer een journaal op de tv.
Dit stond in een artikel over een mogelijke oorlog tussen Iran en de Verendige Staten, en werd genoemd onder een van de factoren vóór zo’n oorlog. Na dubbel gecheckt te hebben of ik niet met De Speld van doen had, kan ik alleen maar zeggen: verbaasd.
Als zo’n factor meespeelt, dan zeggen we dus dat we oorlogje spelen omdat de militaire industrie daarvan profiteert. Oké, komt-ie: de militaire industrie bestaat !@#$%-verdomme omdat mensen menen oorlog met elkaar te ‘moeten’ voeren. Omdat we te incapabel zijn voor respect. Ruik je de cirkelredenatie? Het spat in miljoenen stukjes uiteen op de vloer. Niet te missen.
Kom, laten we de Wet wapens en munitie afschaffen zodat die industrie daarvan profiteert…
Iedereen is een egoïst. Zelfs mensen die zeggen dat niet te zijn, voornamelijk andere mensen helpen, ervaren hun geluk (hun welzijn) uiteindelijk doordat ze tegen zichzelf kunnen zeggen hoe goed ze wel niet zijn doordat ze die andere mensen helpen. Het is ook logisch. Waarom zou je zorgdragen voor meer dan jezelf? Hypothetisch: Zelfs iemand die zich bekommert om zwerfafval en zichzelf zijn leven lang opoffert om daar iets aan te doen en het op te ruimen, weet dat hijzelf uiteindelijk gelukkig wordt van schone straten. Dat in dat proces ook andere mensen geholpen worden is irrelevent, de basis van de acties zijn ontstaan doordat hij zelf met iets zat.
En ben je niet egoïstisch, nou dan heb je het dus echt totaal niet begrepen. Dan snap je met je botte brein (nog) niet dat je je eigen geluk moet maken, daar voor moet zorgdragen, nietwaar? Kijk: ik observeer alleen. Iedere week ontrafelt de wetenschap de mens een stukje verder. Dit ontstaat zo, dat zo en we kunnen het voorkomen door die en die stofjes toe te voegen of weg te halen. Dit gaat door tot op het niveau van geluk, tot waar wij mee zijn. Tot stofjes die zorgen dat wij geluk kunnen ervaren, of juist niet. En dat is het hele probleem. Je denkt het wordt makkelijker, tastbaarder, maar het wordt alleen maar moeilijker. Hoe meer wij weten, hoe verder wij van onszelf af komen te staan.
Mensen die geloven dat ze in de hemel komen als ze Gods wil volgen en daarom mensengebouwen omver boemen zijn egoïstisch. Zelfs de meest ontwikkelde soort kan niet vredig leven. In ons zit klaarblijkelijk onrust. Ons gebrek aan werkelijk intellect geeft ons onvrede met de dood, waardoor we onszelf inbeelden dat hierna iets beters komt. Dus de onmacht om geluk te ervaren in het creëren van een omgeving waarin iedereen gelukkig is, waarin iedereen respect voor elkaar heeft en niemand doodt, zorgt ervoor dat we dan maar hopen dat hierna nog iets gebeurt waarin het wel kan. Je ziet de ironie toch ook? Het betekent dat, mocht je toch in die niet-bestaande hemel (on)terechtkomen, je daarin zal gaan verlangen naar een tweede hemel.
Zodoende dient men hier te beginnen met het maken van de hemel. Dat betekent: elkaar en de natuur geen onrecht aandoen. (Als iedereen dát zou doen, zijn we volgens mij al bijna klaar!)
Waar gaan we heen? Niet dood, niet levend. De tussenfase. Enerzijds verander je de wereld niet, anderzijds is er bewijs dat je er bent: instanties weten dat je leeft: belastingen, bankrekeningen, bonnetjes.
Ik haat woorden. Kijk: zoiets zou door Kabouter Wesley gezegd kunnen zijn in een van de strips. Het probleem is dat zelfs dátgene dat zoveel mensen aan het lachen laat brengen, geen oplossing is. Voorbeeld? Voorbeeld! Op verschillende websites staan de ‘beste’ foto’s van 2011. Op de meeste foto’s staan mannen met wapens, of verwoeste levens, groot vuur. Ook is er een foto van iemand die tijdens een stunt om, in de lucht, van een helicopter naar een stuntvliegtuig te gaan/springen/iets, zijn balans verliest en letterlijk naar zijn dood valt. Het moment dat hij net zijn balans kwijt is is in bijzonder hoge kwaliteit door een fotograaf vastgelegd. Ik zie het. De letterlijke tussenfase tussen leven en dood. Natuurlijk weet ik: als zulke beroepen kunnen bestaan in onze samenleving gaat het goed, toch? Het leven is niet het hoogste goed, is het de spanning? Steeds meer nadruk op de zoektocht naar meer, meer, meer. Niet naar een nirwana.
Ik zie die foto’s. Ik zie vuur, haat, ellende, oorlog. Het door ons zelf gecreeërde ongeluk. En daar dacht ik juist keuze te hebben. Heeft niet iedereen de keuze tussen haat en liefde? Zou het zo dodelijk saai zijn als iedereen voor de liefde ging?
Ik wil geloof ik dat het moment niet eindigt. Iets wat ons vermaakt, ik zit er en jij zit naast me en zo samen zitten we en af en toe praten we en er zit dan iets van rust in mij: een comfort dat me oneigenlijk is, een stem die fijn is om naar te luisteren.
De ene voet en dan de andere en zo stappen we weliswaar onafhankelijk maar toch beide voorwaarts. Ik wil je meer vertellen over het probleem dat eigenlijk geen probleem is. Het komt, het gaat, en soms is het zo snijdend en soms is het zo blij. Ik weet dat ik dingen zelf moeilijk maak. Zo voelt onwetendheid over het lot, het leven, geluk hier. Niet dat ik niet op mijn pootjes terechtkom — laatst viel een boterham niet met de beboterde kant op de vloer en moest ik lachen — kleinedingengeluk. Ik wil ook niet per direct zwaarmoedig. Dat van het strand is trouwens vooral iets wat ik me graag voorstel. Dat ik dan van het strand en van iemand houd. Afhankelijk opstellen wil en doe ik niet — kan ik waarschijnlijk niet eens meer met (zo) een gemak. Doet er ook niet toe. Dat ik lief en je soms te serieus. Nu praat ik te veel over mezelf.
Post-it hier, post-it daar, post-it overal maar waar? Valt-ie naar benee, alsof het een schim. Ik vergeet voor jou, buiten is het boven min. In deze stad bij deze winkels, of op de universiteit, je weet dat het wordt verspreid: hoe men zich ook verblijdt.
Iets veranderen.
Al raast een storm de straat door nog steeds, sta ik naast de afgesproken plaats nog het meest; de kleuren verschillen soms, maar lege vierkantjes zijn het ooit geweest. Doet er verder niet toe, weet je nog wat het was, wat iemand door ons las?
Schrijf Engels, spreek Nederlands. Geen zin te ver, dit is thans de wereld. (Tenminste, die van Miss Denkt en ik.)
De juiste trein neemt je mee en de juiste fiets neem ik. Toch laten we iets achter.
Het is een woensdag. Ik fiets naar het strand. Niet dat dat zo vlotjes gaat, met de westerstorm. De macht over mijn fiets heeft windkarcht acht als ik de duinen zie. Ik loop naar het strand. Ik probeer aan niets te denken. Je kan ook niet echt denken. Je moet zorgen dat je niet wegwaait, dat je weet waar je je stappen zet, anders word je onstabiel. Ik loop en ik loop en ik kijk.
Ik kijk zo uit over de zee, zoals dat al miljoenen of miljarden mensen voor mij ooit waar dan ook ter wereld gedaan moeten hebben. Zij zagen niet wat ik nu zie. Golf op windvlaag op golf op schuim op water op zand dat waait. Wind over krat, aansteker, jerrycan, schelpjes. Ik weet dat ik hier niet kan blijven. Wil ik ook niet, maar het idee dat je nergens meer naartoe moet: daar zou ik voor tekenen.
Het waait, beter: het stormt en ik sta daar op het strand richting de zee te kijken en de zon gaat schijnen. Nog meer diepte ontvouwt zich in de golven. Nog meer kleuren doemen op in het water. Ik waai weg.
Memoires is een serie tekeningen over personen die verdwenen zijn, maar hun sporen hebben nagelaten. Tijd voor deel II.
Niet ontoevallig ving ik op dat je ook geen bier dronk. Niet dat dat boekdelen sprak, maar genoeg aanleiding voor een e-mail van deze zak. (Achteraf is alles toch wel naïef. Maar op het moment dé oplossing. Het rijmt bovendien.) Een aanknopingspunt was er dus. Maar de stilteruimte is niet bepaald een effectieve ontmoetingsruimte op school. Onverdeeld onopgelegd. Achteraf is het makkelijk analyseren: ik onzeker, ik überhaupt geen idee wat of hoe dat verliefde voelen moet.
Toen werd het vakantie en toen ging ik op vakantie en toen ging jij op vakantie en toen ging ik naar de universiteit en toen moest jij nog een jaartje.
Niet dat dat oorzaken zijn, maar het vergroot de afstand, ingewikkeldheid. Als het echt iets was of werd, hadden we een afstand wel rechtgezet. Begrijp me niet verkeerd; tot aan toen kende ik vooral dat wat ‘nep’ was. Ideeën of liefhebbingen die alleen in mijn hoofd leken te bestaan. (Dat ook waren.) De eerste was je waarvan ik de indruk kreeg dat het anders kon zijn. Niet dat het een ramp is dat het niet werkte uiteindelijk. Ook al dacht ik toen misschien dat het het einde was. (In de figuurlijke betekenis van iets anders is er even niet.) In een ander deel kom ik er wel achter dat echte verliefdheid anders is, anders voelt. En nog meer is dan: jij bent een leuk, gaaf en bijzonder persoon.
Mooi ben je, blijf je, als ik soms verdwaald een Facebookfoto zie. Laatst ontmoette ik zelfs iemand die zo-heel-erg op je leek dat ze misschien daardoor spontaan even mijn onverdeelde aandacht opeiste. Oppassen geblazen.
Plaats neem ik in de lege trein zorgvuldig. Glazen deuren, blauwe stoelen, treinstel 9593. Het moment dat ik neerplof op een van die blauwe stoelen hoor ik gestommel op de trap achter me. Een debiel-in-opleiding, een kind van een jaar of acht, tettert veel te hard dat hij bij het raam wil en of dit eerste klas is. Sta ik op, changer de coupé, of blijf ik zitten waar ik zojuist zo zorgvuldig plaatsnam? Ik ben te lui en heb muziek, dus goedkomen zal het. De dames van Scala helpen vast mee, misschien zit er wel een nog harder krijsende baby in de coupé onder me.
Op Zuid staat een ongelofelijk mooi geval. Met haar backpack (autocorrect geeft aan: badpak, mocht ik willen) en gympies. Anderhalve minuut liefde later continueren we op ijzer. Grote gebouwen in geleend geld. Honderd plus honderd auto’s. Rood, blauw, sporadisch geel, vooral wit en zwart en wat daartussen zit. Valt niet op met die bewolking. Is water blauw? Zijn regendruppels blauw? Hoi ArenA, dichterbij Ajax kom ik niet. Geen liefdes hier. Alleen een gemutste oudere man met een rietje in het blikje in zijn handen. Ik hoor dat mijn ziel in tweeën wordt gescheurd door een artieste die redelijk waarschijnlijk niets gemeen heeft met de zojuist beschreven man, behalve de huidskleur.
Ik had het leuk gevonden als metaal felpaars of felroze geweest was, maar dan wist ik niet beter dan dát en had ik gefantaseerd over grijs metaal. Dag ArenA trouwens. Tussendoor nog even gedag zeggen tegen DB Cargo en een metro, terwijl Paskal Jakobsen mijn naam wegstreept. Dankbaar ben ik hem, niet zozeer voor het strepen als wel voor het zingen.
Opeens zijn de flats schapen geworden, al stapelen zij zich (nog?) niet op. Nu vallen de andere kunstmatige dingen meer op, zoals hoogspanningsmasten. Ditzelfde nemen de luidruchtige kindjes achter me waar. In het water zie ik ook. Meruada passeren we, net zoals Laila M en Kepler. Zouden we meer overeenkomsten hebben dan het feit dat we beide onderweg zijn?
Tijd voor een appel. Het blijkt een verschrikkelijke meelbal en halverwege de appel, bij Maarssen, is het over en uit voor dit stuk fruit. De energie van de jonge heren achter me is trouwens op, en naast het zo nu en dan tegenkomen van een tegenliggende maar niet verloren trein en een brug is het achtergrondgeluid tot een minimaal teruggebracht, ventilatie uitbegrepen.
Hijskraan! Die is nog niet genoemd. Drie, oeps vier in één oogopslag zelfs. Drie keer geel, een keer groen. Hallo koploper naar Groningen. Hier in Utrecht blijf ik lekker zitten, maar veel plezier met de voortzetting van uw reis. Ik werp een blik naar binnen en zie een gapende vrouw. Zo saai kan treinen zijn. Jullie spoor 11, wij, of ik, 18b. Dat is ongebruikelijk voor een intercity. Meer mensen, meer stemmen, meer kinderen. De trein staat lang stil. Te lang? Na een paar minuten komt er een jongeman schuin tegenover me zitten die op zijn lelijke Toshiba gaat zitten typen. (Dat laatste woord is belangrijk in die zin, vandaar dat deze vet is.) We laten Utrecht achter ons en ik mag er over een halfuurtje weer uit. Dan houdt dit verhaal op en dat is best eng, want ik wil dit niet stoppen. Goedkopevliegticketsreclame. Het zou verboden moeten worden. Ze zijn in ieder geval niet de goedkoopste, want ze moeten de kosten voor die dure reclames toch & nog terugverdienen. Mijn verbitterde eerste gedachten.
Wegens werkzaamheden zijn er geen treinen tussen ‘s-Hertogenbosch en Boxtel, roept iemand om. Heerlijk. Iets is of niet. Meestal wordt zoiets in termen van een proces (rijden, mogelijkheden) uitgedrukt. Tegenover het gangpad zitten twee jongedames die elkaar niet kennen. De een met koffer en telefoon, de andere ouderwets met iets van papier. Helaas een Cosmo. Je kan niet alles controleren. Ben van Blinq valt me met zijn stem heus niet lastig. Het staat o zo lang al op mijn muziekspeler. Hij zingt over iemand die Mauro zou kunnen heten. Toen hadden ze echter nog geen sociale media om mee te dreigen, of mogelijkheden om Rutte te tweeten.
Eindelijk, naast wat seintjes, bovenleiding en rails louter weiland en kale boompjes. Zo’n dertig seconden. Dan vervalt het landschap in een van de duizenden dorpen. Met kantoren, bruggen en tunnels. (Die waren allemaal nog niet genoemd, maar maken het verhaal behoorlijk compleet.) Oeh, de jongen schuin tegenover me heeft een beetje een domme kop. Kan hij niets aandoen, maar het valt mij op dus wordt opgeschreven. Soms is het leven heel simpel.
Kerk. Telefoonmast. (Waarom ik het telefoonmast noem terwijl het vooral sms — of nee — internetverkeer zal verwerken weet ik ook niet.) Dit is Nederland in ieder geval. Nederland vanachter een raam dat voortgestuwd wordt, als ik het maf beschrijf. De accu wordt uit de laptop gehaald en beide onderdelen gaan zijn tas in. De beide, maar nu benen, worden gestrekt. De neus geïnspecteerd. Ik zie alles. Of veel. Hahaahaar Cosmogirl, en ik strek de beide beentjes ook want mijn voet heeft zonder toestemming besloten te gaan slapen.
Ik probeer niet het saaiste of langdradigste verhaal ooit hier neer te zetten. Maar zo kan het ook. Iets is wat het is, dit is wat ik zie. Als je het beter kan, neem dan zelf de trein van 13:44 van Schiphol naar Den Bosch op een eerste zaterdag van een december. Je bent uitgenodigd (als je zelf betaalt).
Wolken worden donker en we nemen een afsplitsing naar de Betuwelijn gelukkig niet. (Mag ook niet.) Iemand ziet iemand anders zo, afgaande op een gezichtsloos telefoongesprek achter me. Te lui om om te draaien. Laptopnerd heeft zijn ogen erbij gesloten en mevrouw koffer is nog steeds aan het sms’en, whatsappen of internetten. Of aan het schrijven, net als ik. Kan ik niet weten, kan ik niet zien. Een brug en nog meer water passeren we. Een rode auto en nog een telefoonmast. Station Zaltbommel. Niet dat we er stoppen. Nóg een mast; does this shit ever stop? Nederlandbloeit.nl en meer schapen. Heb ik de koeien gemist? Nope. Bijna was ik bang aan de verkeerde kant te zitten maar ze verschenen in de verte. Ga je me nadoen: met de richting van de trein meereizen, aan de linkerkant. McDonald’s papa mama stop!!! (Dit dacht ik alleen, of misschien ook dat rotkind, niemand zei het hardop in ieder geval.) De trein stopt niet, de Mac is smerig en ik ben juist op weg naar papa en mama. We passeren het laatste water, de Maas, en bijna die grote (nieuwe) windmolen. We zijn in Den Bosch en een dezer zinnen moet ik afscheid nemen van dit stuk. Heb je het volgehouden, heeft de herfstreis je van 0 tot 100 kunnen boeien? Zo’n zestig minuten zijn dit. Zestig minuten van mijn leven zijn tot op ieder woord nauwkeurig, tot op iedere gedachte opge- & beschreven. Weer ‘s wat anders. Nu ga ik opruimen terwijl we echtecht de laatste brug en water overgaan. De trein rijdt niet verder bovendien!
Buiten. Laat me beginnen bij: wat ik erg goed kan waarderen is gras dat niet zo heel lang geleden gemaaid is of een windkracht die de zilte zeelucht om mij heen doet blazen.
Binnen. Op naar eten: vanzelfsprekend taart bakken. Of zelfgemaakte pizza’s uit de oven; maar die ruiken lekkerder als je veel honger hebt. Het beste hier is overigens een vers geslachte sinaasappel (of citroen). Verder: warme chocolademelk met of zonder slagroom doet het ook bijzonder goed.
54. Ademnood, douchedinges of shampoo, deodorant of aftershave: aanvaard ik met liefde. Probleemconstatering hier is dat (bijna!) alles lekker ruikt, maar dat je dat alleen de eerste vijf keer dat je het gebruikt echt opvalt. Daarna wordt het een beetje gewenning, gewoontjes. Gelukkig leven wij in een consumptiemaatschappij (ooit gedacht dat ík dat zou zeggen? ik niet bepaald) dus kan je oneindig blij (zijn met) ruiken. Toch klaar? Begin dan weer van voor af aan! Vergeten blijft de bom.
Voor een keer kan ik duidelijk zijn over wensen: ik wil op een pad van gemaaid gras met een sinaasappel de zee indouchen. Ik neem je mee.
Het vals wakker worden, weer zogenaamd verder slapen, gematigde vaagheid. Ik heb in een droom zitten verhalen, verkapt herhalen, door te vertellen over wat ik heb gedroomd in die droom (maar toen dacht ik zeker dus dat het ‘écht’ was). Hell yeah, Inception for tha win, I was three levels down tonight. Zolang ik uit rijdende auto’s kan springen om vervolgens verder te vliegen, me door de grootste regenbuien kan manouvreren terwijl ik van boot op boot spring of de klapper: herinneren dat je je moet afvragen waar je vandaan komt, je realiseren dat je er met de auto bent gekomen, even genoegen neemt met het antwoord om je pas een moment later daadwerkelijk te realiseren dat je (nog) geen rijbewijs hebt. Goddank gaat alles lekker automatisch. Het was niet de eerste keer.
Vaak heb ik mij dromen voor altijd gewenst. Volgens mij kan dat niet gaan vervelen. Net zoals het leven zelf niet gaat vervelen. Al zou droomvrouw dan redelijk letterlijkjes worden, of je dromen waarmaken.
Soms twijfel ik en soms weet ik even niets. Ik weet wie ik ben, mijn naam. Ook weet ik wat ik kan, welke vaardigheden ik in 22,5 jaar aangeleerd heb; daar nu dus over beschik. Wat gaat er dan mis?
Naast de academische en hobbygerelateerde vaardigheden doe ik het ook aardig in de algemene dingen: ik kan immers goed eten, goed bewegen, goed vriendjes maken, etc. Toch duwt er iets in mij, zit mij iets niet lekker.
Je weet wat het is, hoe het gaat. Al zo lang vecht ik met een klok, speel ik tegen hoe ik mijn daagjes vullen kan, vullen zal, vullen moet en het gebrek aan hoe ik ze dan uiteindelijk vullen doe(t).
U zegt dan dat ik me daar niet zo mee bezig moet houden; life is immers life en nog wat andere tegeltjeswijsheden. Ik probeer, ik probeer; help je mee :D?
Ik doe mee aan medicijnonderzoek. Het is iets wat al een tijdje op een lijstje stond, al klinkt het vast heel naïef als ik zeg dat ik gewoon benieuwd ben, of was, naar hoe zoiets gaat en wat erbij komt kijken. Het medicijn wat ze testen is een medicijn tegen kankergezwellen. Ze kijken vooral naar hoe het wordt opgenomen in je lichaam, en hoe verdraagzaam het is (bijwerkingen). Zodoende verblijf ik een aantal periodes van een paar dagen intern in een kliniek.
Ik ben nu over de helft en tot nu toe nergens last van gehad. Je krijgt iedere periode een paar pilletjes die je in moet nemen. Waar ik me wel aan kan ergeren zijn liegende mensen. Er zijn bepaalde regels en eettijden, zowel binnen de kliniek alsmede tussen twee periodes door en ik vind het nogal dom als mensen die overtreden. Je wilt je gezondheid niet op het spel zetten. (Dat klinkt ironisch, maar als je dingen doet die niet mogen en die de artsen niet weten en er gaat iets mis dan heb je daar dus niet alleen jezelf mee!)
Goed, verder gebeurt er bar weinig natuurlijk. Je kan internetten, spelletjes spelen, relaxen. En ondertussen wordt er goed voor je gezorgd!
Tegen zoiets als dit kan ik slecht. Waarom? Omdat men tegenwoordig wil dat men op iedere vorm van ‘ramp’ voorbereid is. Ik kan nog tienduizenden andere gevallen bedenken waarbij mensen er even last van ondervinden als een cruciaal gedeelte van een voorziening wegvalt, allemaal dingen die je niet zou verwachten, maar die wel kúnnen gebeuren. Moeten we daarom maar constant miljoenen euro’s over de balk blijven smijten? Shit happens, zo be it. Maar politiek, ga niet voor elk wissewasje je tijd vergooien. Alsof jullie ons land nog niet genoeg naar de tering helpen met jullie dweilpolitiek en halve oplossingen die alleen maar problemen op andere gebieden veroorzaken. Als je ballen hebt schreeuw je kut voor die mensen, maar binnenkort kunnen ze weer alles ontvangen en ga je over tot de orde van de dag, stelletje losers.
Fuck, kom ik er toch net effe achter dat ik vergeten ben een stukje over mezelf te schrijven. Daar ik mij aanbid vraag ik mij af hoe ik dit al die jaren heb kunnen aanstellen. Uitstellen. Dinges. Oké, ieder woord dat verschijnt heeft geen kans op dat het verdwijnt. Een riedel zinloosheid zal volgen. Dus, mijn naam is Jaap. (Are you kidding me? Nee. Maar verzin iets leuks en ik luister er wellicht ook wel naar, ligt er een beetje aan hoe je het brengt.) Ik zou negentien jaar kunnen zijn als ik deze blog aan het begin van de start (of de start van het begin, haha-ha) had geschreven, maar nu dus twëëëëntwintig en daar ging iets mis met puntjes, maar ik laat het staan want dat geeft een beetje idee van wie ik ben. (Ja, het is zó erg.) Ik houd niet van mensen die zeggen dat ze van hobby’s houden, want dat is hetzelfde als zeggen dat je leuk vindt om te doen dingen die leuk zijn om te doen vindt. En dat is hetzelfde als zeggen dat a is a, b is b tot en met z is z. Zoiets zeggen betekent namelijk dat je het niet als een vanzelfsprekendheid aanneemt dat je hobby, je liefhebberij dus, leuk is. Ik begrijp dat soort mensen simpelweg niet, net zoals ik mensen die een automatische schuifdeur voor me openhouden niet begrijp. En misschien is begrijpen in deze context niet het juiste woord, maar je snapt waarschijnlijk wat ik bedoel, waar ik hiermee op stoel.
Verder is er een tip om maar wat te lezen hiero, dan krijg je vanzelf een beter beeld. (Niet letterlijk natuurlijk — of je moet in een slaap dommelen en dat er dan vervolgens een dief dan wel dievegge je beeldscherm voor een betere omwisselt, maar die kans is verwaarloosbaar klein.) Nou, toedeledokies dan maar weer.
Memoires is een serie tekeningen over personen die verdwenen zijn, maar hun sporen hebben nagelaten. Vandaag deel I.
“Wat ik zou doen is onbelangrijk; het is dat het was.”
Ik kwam je niet tegen op straat, maar in de banken. Of ik het was die naast jou kwam zitten of dat jij het was die naast mij kwam zitten, weet ik niet meer. Het enige dat ik weet is dat je leerde door te ontdekken. Daarom was het, achteraf gezien, überhaupt raar dat ik je hier trof. Toen je werk zocht kwam je terecht in de lopendecallcentermedewerkerswereld, de mensen die je ongewenst aanspreken op straat en willen dat je maandelijks een deel van je geld in een Afrikaanse waterput laat verdampen of Groene Vrede niet het hiernamaals van de hel instuurt. Het kostte je een middag training en een dag werk om erachter te komen: hier ben ik niet geschikt voor. Hoe spontaan je ook was.
Het is wellicht de manier van doen, van lopen, van kijken. Niet de manier waarop jij op mijn banaan tekende. De manier waarop iets rinkelen bleef, omdat er belangrijkere zaken waren.
Het punt is dat je me de titels van je twee favoriete boeken vertelde. (Want jij, als Neerlandicus in spé, moest natuurlijk wel een fantastische smaak hebben, dacht ik.) Ik heb je nooit kunnen vertellen dat ik beide boekjes ‘braaf’ gelezen heb, ervan genoten heb, en eentje vaak in mijn tas stop om op een verlaten perron machtige woorden te mogen begluren en me te verwonderen over de precieze betekenis. Dat is de invloed die jij, onwetend, achter gelaten hebt op mij.
Het waarom is dat je de eerste les had gemist, en zodoende aantekeningen miste. Alsof ik een verzoek van zo’n goed, knap, ontwikkeld en boeiend persoon zou kunnen weigeren.
“De Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic is waarschijnlijk per helikopter van Rotterdam Airport naar de gevangenis in Scheveningen gebracht. Er vertrokken twee helikopters en een colonne wagens onder politiebegeleiding vanaf Rotterdam Airport.” (Bron: NOS)
En wie betaalt die overbodige en luxe vervoermiddelen?
“De gevangenis staat bekend als de ‘meest menselijke gevangenis ter wereld’. De cellen hebben open deuren en er wordt bijvoorbeeld samen gekookt. Advocaten kunnen worden ontvangen en er is een familiekamer waar bezoek mag komen.” (Bron: NOS)
Vanzelfsprekend. Hij mocht eens iets te kort komen…
Goeeeeeeeeeeeeeeiendagschotel. (Ik leef met een cliché, zo nu en dan.)
Laat ik effe over één ding zúúpah-duidelijk zijn.
Ik koop géén daklozenkrant.
Ook niet als je de automatische schuifdeur voor me openmaakt…
(Ik zag je alle drie de puntjes individueel lezen, had ik zelf ook, hoef je je niet voor te schamen.)
(Ja. Ik weet niet. Kan ik zelf ook. Denk ik dan. Zeg maar. Net zoals: Daar heb ik — in principe — geen hulp bij nodig. Da kan een grote kerol van 22 zelluf, jeweet. Maar c.o.m.m.u.n.i.c.e.e.r. dat maar eens met de and’re kant, als je iedere vorm van contact probeert te vermijden.)
Was ik het bij het passeren van de niet door mij opengemaakte automatische schuifdeur toch aan het overwegen? Nee, natuurlijk niet, wat dacht je, haha.
En ik hoef dus al hélémáál géén krantje als je me vervolgens met hallo mevrouw aanspreekt…
(Ja, deze drie puntjes waren nog beeldender dan de vorige drie.)
(En och och goh, onthoud me van het geblaat, want ik ben toch zo in touch met mijn feminine side, not.)
Hopla. Via deze weg wil ik ene lelijke mevrouw graag feliciteren met haar naïviteit. Je werd vandaag aangesproken op de universiteit door iemand van een partij van de Universitaire Verkiezingen. Je kende het niet, had er nog nooit van gehoord. Zonder enige vorm van weerstand liet je je klaarblijkelijk overtuigen door de standpunten van deze mongooltjes en ging met ze mee om te stemmen. (Ze hadden overal laptops geprepareerd waar mensen middels in te loggen met hun Universiteit Leiden-gegevens konden stemmen, red.)
Je bent stom, debiel en lelijk. En doe die eigenschappen nog maar eens verdubbelen doordat je — zonder ook maar een ander partijstandpunt gehoord had — ging stemmen.
Jaap loopt winkel uit.
Jaap ziet brandweerwagen.
Jaap loopt naar stoplicht.
Jaap wordt aangesproken door een vrouw die zegt: “Heb je vuur?”
Jaap denkt: “Nee, en anders maken zíj het wel uit.”
Jaap zegt: “Nee.”
Ik ben, zelfs na het lezen van The Cult of the Amateur, nog steeds een fan van Wikipedia. Het geeft je snel een globaal beeld van wat je ook maar zou willen weten. Er zijn daar echter ook dingen waar ik niet zo’n fan van ben.
Een aantal vrijwilligers op Wikipedia houdt zich onder andere bezig met een project aangaande het inspreken van artikelen. Dat is fantastisch, nietwaar? Het schijnt een waardig alternatief te zijn voor mensen met een visuele beperking. Zonder verder op details in te gaan of zij niet al een goed text-naar-spraakprogramma of brailleleesregel hebben, is het inspreken van artikelen een bijzonder arbeidsintensief project. Naast het feit dat bij het inspreken een bepaalde versie van het artikel vastgelegd wordt, waardoor de eerder genoemde apparatuur superieur is aan inspreken (Wikipedia wordt constant vernieuwd), wil het echter ook nog het geval zijn dat meer dan de helft van de ingesproken artikelen ingesproken is door iemand die dat beter niet had kunnen doen.
Er is in het verleden al veel discussie gevoerd over zijn stem. Grofweg zijn er twee verschillende groepen in de discussie. De ene groep Wikipedianen vindt dat het simpelweg verwijderd moet worden, zijn artikelen zijn dan weliswaar verstaanbaar maar totaal niet prettig om naar te luisteren. (Sommigen hiervan vinden het hele project trouwens zinloos.) De andere groep vindt het zonde om alle tijd en moeite die deze jongeman in het inspreken van artikelen heeft gestoken teniet te doen, temeer daar ze iets (klaarblijkelijk) beter vinden dan niets.
Ik schaar mijzelf achter de eerste groep. Allereerst omdat reguliere slechte bijdragen aan Wikipedia gewijzigd danwel verwijderd worden. Stel ik schrijf een artikel over appels en mijn eerste zin is: “Appols aan bome groeie.” Men is het erover eens dat je dát niet kan laten staan op Wikipedia. Of dat logisch is weet ik niet, het is namelijk best leesbaar (vergelijk: verstaanbaar), alleen totaal niet prettig om te lezen. Uiteraard, als ik geschreven had “Appels groeien aan bomen.” dan was er vanzelfsprekend geen probleem — maar dit schreef ik niet en dit zal ik niet gaan schrijven, net zoals die jongen niet ‘beter’ zal gaan praten.
Moeite wordt in dit geval onterecht gewaardeerd. Dat is fout. Het zal een hoogleraar aan zijn reet roesten of een student een halfuur of drie uur over het tentamen doet: er wordt beoordeeld op wat er ingeleverd wordt, ongeacht de moeite. Of stel: een bakker verkoopt appels. De appels zijn helemaal niet lekker, maar het zijn wel appels. Er zijn geen andere appels in de wijde omtrek. Zou je appels kopen van deze bakker?
Mijn wens: stop alsjeblieft. Je kan zoveel leukere dingen in je leven doen die wel gewaardeerd zullen worden. Maar for the sake of humanity: Je hebt geen talent om dit te doen. (Henkjan Smits is het vast met me eens.)
Voorbeeld van een door hem ingesproken artikel, klik op de afspeelknop naast de foto bovenaan de pagina.
Toen ik laatst over het station liep, zag ik hoe uit de zak van iemand anders een pakje sigaretten op de grond viel. Hij had het niet door. Ik wilde aanstalten maken om deze persoon op zijn verloren object te wijzen toen ik plots werd geconfronteerd met een ethisch dilemma: als ik deze persoon op zijn verloren pakje sigaretten zou wijzen, help ik immers mee aan, onder andere, de groei van een tumor in zijn longen en impliciet zelfs aan een verhoging van de ziektekostenpremie. Wil ik dat? Is het ethisch verantwoord om iemand te ‘helpen’ aan meer ongezondheid? Ook deze persoon is immers belemmerd in zijn hoeveelheid kapitaal, en had hij geen geld voor een nieuw pakje, zou hij die maand minder sigaretten gerookt hebben.
Voor mij was het duidelijk: dit ga ik niet doen. Ik hoef niet aansprakelijk gesteld te worden voor een (groeiende) kanker in de longen van deze meneer. Andere mensen op het perron waren zich trouwens niet van dit dilemma bewust en al snel werd het pakje sigaretten van de grond gehaald en naar de rechtmatige eigenaar gebracht.
(Trouwens, om niet mee te helpen aan een stijging van de hoeveelheid zwerfafval had ik het, ethisch gezien, in de prullenbak moeten gooien.)
(Trouwens 2, de moraalridders die nu komen met: “deze meneer heeft wellicht een kort lontje en roken is zijn manier om te ontstressen en hij had geen geld voor een nieuw pakje toen hij een nieuw pakje ging kopen en omdat hij al een tijdje niet meer gerookt had was hij gestrest en hierdoor sloeg hij de caissière in een impuls dood omdat hij toch erg graag dat pakje sigaretten wilde maar bij het niet mededelen van het feit dat hij zijn pakje verloren was, was je medeplichtig geweest aan moord” mogen van mij achterwege blijven.)
Uit een onderzoek van de Elon universiteit blijkt dat mannen die tot een etnische minderheid behoren vier procent meer verdienen als ze meer dan tachtig minuten per dag bezig zijn met persoonlijke verzorging. (Bron)
Stel, iemand verdient 2500 euro per maand met een werkweek van 48 uur (±200 per maand). Ze verdienen dan zo’n 12,5 euro per uur.
Vier procent meer verdienen betekent dat de mannen uit het onderzoek 2600 euro per maand zouden verdienen. Maar, ze hadden in plaats van tachtig minuten ook twintig minuten bezig kunnen zijn en de overige zestig minuten extra werken. In een normale werkweek zou je dan vijf uur extra werken, dus in een maand zo’n 20 uur. 20 x 12,5 kunt u zelf?
Ik sta te balanceren. Want dat is iets wat ík niet kan. Hier een frietje daar een paadje, soms een steegje af en toe een weetje.
Toen ik laatst in Utrecht was, want mensen kunnen reizen — wat mensen reizen kunnen — zat er in de zon op de stoep van de hoek een zwaar gedrocht (gewoon zo eentje met handen en voeten) met handen een puntzak friet naar binnen te werken c.q. te degusteren. Als er iemand is die daar niets van zegt dan zijn wij allemaal iemanden en dachten wij ook allen: “zou je dat nou wel doen?” Maar spraken die gedachte, die immers de zoon van de wens is, niet uit.
Tegen de tijd dat ik oud en kreupel ben of begon te zijn, als dat dan nog bestaat, hoe strompelen we dan nog op internet voort? Een van die Facebookvrienden zal foto’s plaatsen van de naar urine ruikende bejaardenpolonaise. Niet over dat wat niet meer gaat: het rennen, de reizen of de ruige kroegentochten in gure steden.
Ik zie het niet zitten om ergens op te klikken. De “@janmetdekorteachternaam heelmaal kpt gegaan van8 in de 3 #durfteverhalen #avonturenftw”-berichten. Kansloos edoch in overvloed aanwezig? In de privacy voorbij kunnen Henkie en Ingetje hun hele leven op een kaart aan zich voorbij laten spelen. Waar ze waren, hoe snel ze gingen (dat wat we niet mogen weten). Met dank aan foursquare-gedoe. Of welke namen je dan wel niet hebt.
Ergens moet het stoppen, ergens ligt de grens. Ergens moet het naar jezelf toe helen het gaan winnen van de kansloosheid van delen. Ik maak me niet druk, het kwam in me op, ik vroeg het me af, en schreef het op.
De zon kan wel schijnen, en dan kan ik wel op mijn balkon gaan zitten. Maar waar is dan die meid die een koud drankje serveert? Dit vroeg ik mij niet af toen ik vanmiddag in de zon zat, nee, integendeel: ik nam plaats op de stoel, liet mijn ogen voor wat ze waren door ze te sluiten en me te richten tot dat wat warm was. Ondertussen waren mijn smaakpapillen hevig in strijd over de smaak van die perfecte appel.