Zij: het is de eed van het leven.
Hij: het is leed maar voor even.
Zij: het is de eed van het leven.
Hij: het is leed maar voor even.
Of ben ik de enige die het niet snapt?
Help mij. Red mij van mijn zwervende ziel.
Zijn mijn gedachten louter debiel?
Ik wil niet dat je nog whatsappt.
Überhaupt mobiel.
Ik wou dat ik viel.
Voordat je van me wegzapt.
Ik leef in ignorantie,
Iets met ketel en de druk.
Mijn dag kan niet meer stuk.
Keuze hier, Swirl daar, vakantie waar?
Dit kan je, dat moet je, wat nou, doetje.
Stik ik, flik ik, mik ik. Buiten alle vormen van een roos.
Vandaag ging ik zitten,
Een stoel zonder doel.
Morgen zal ik lopen,
Op schoenen die zoeken.
Trouwens gister, gister zou ik fietsen,
Pedalen beamen verhalen.
Ikbennietbang,
Graagzowilikanders.
Zo zo zo.
Soms sneeuwt het. Soms waait het. Soms schijnt de zon. Maar altijd haal ik adem, weet ik veel waarom.
Ho ho ho.
Vaak regent het. Vaak bewolkt het. Vaak schijnt de zon. Maar nooit een hittegolf in december, ik weet waarom.
Jo jo jo.
Nooit orkaant het. Nooit watersnoodrampt het. Nooit niet schijnt de zon. Iedere maand een nieuw extreem gemiddelde, omdat het kan daarom.
Begin, boven, beregoed.
Banaan, beneden, bemiddeling.
Boven, buiten, bewolking.
Beneden, binnen, bevolking.
Buiten, lucht, lekker.
Binnen, licht, muf.
Lucht, lanceren, lopen.
Licht, lezen, letters.
Lanceren, laatmaar, liefde.
Lezen, like, liefde.
geen toets te maken
geen muis te paren
geen scherm te staren
geen knop te raken
anders is alles al
lang mag loos niet duren
heb ik verval in gewoontes te verduren
het lijkt sterk op klimmen uit een dal
(8 november 2008)
In mijn gezicht een vlakke hand,
Ik neem het op tegen de duinen,
Een vrouw en een strand.
We eten boterhammen,
Chocoladehagel kokosbrood,
Ik word niet levend begraven,
Is dit ooit mijn dood?
Waar we het over hebben,
Onze schitterende gebreken lezen,
Boeddhisme bioscoop,
De vroomheid ken ik al,
Het verhaal mijn levensloop.
Ik ben het zat, en dat,
Dat zal je weten schat,
In het water praat ik zacht,
Tot jij wakker, ik wacht.
Blijf maar buiten,
Stil beminde pracht.
Fietsroute naar beneden
Waar zit de rem?
Vergooid, Verneukt, Vernaaid
Wat is het verschil?
Krachtmeting der hersenen
Wie heeft mijn verstand?
Hoi bloesdragend meisje met hond
Waarom nou blozende ik?
(13 april 2007)
Mensen zeggen dat over andere mensen het weleens zo wil zijn dat er weer andere dingen blijken dan dat ze in eerste instantie deden vermoeden. Ik haat zulke nietszeggende woorden, maar evenzo wil het het geval zijn dat alle waarheden verpakt zijn in dit soort troelahoeplaloep. Ik onderscheid de verschillende zinnen niet meer, want je gaat toch niets zeggen. Niets dan dat het nog steeds, als altijd, zo ontzettont geweld-ig met je gaat.
Ik ben een monster.
Niet hier, of nu,
wel zo nu-en-dan,
of af en toe.
Ik ben een monster,
zo eentje uit een boek.
De Zzz-film van de
taartenstraat, zonder TomTommaat.
Ik ben een monster.
Zo bijna altijd zoek;
waak ik, al ben ik stil,
terwijl ik slaap.
De grote wegen verfijnen,
‘t Kleine, dat wat niet het zijne,
Noch ‘t hare, maar ‘t mijne.
Zo loop ik op schoentjes,
Zoals jij op hakken, niet
Sandaaltjes met zand, of onze
Gemeenschappelijk gebruinde voetjes.
Uw benen zijn niet toereikend,
Zij zullen zo worden moeten afgezet,
Tot in den pijnen, tot zij door
Artsen als protheses
In elkaar worden gezet.
Ik blijf kijken, ik
Maar niet ik — jij
Bent het die
Wegliep.
Morgen zal mijn stap halveren,
Ga ik doen alsof ik nooit bestond,
Morgen zal ik een dag markeren,
Zolang dat mij nog niet verwondt.
Aan de overkant; daar zal ik blijven,
Pannenkoeken bakken tot het eind,
Handhaaf al dat me deed schrijven,
Tot een pen mij duistert deint.
Kan ik toveren, kan ik rennen,
De overwinning is geen schuchter plan,
Als ik je mag bekennen,
Dit is niet mijn roman.
Jij kleurde jij
In rook die verscheen
Verdween, en ten slotte
Naar het overgaan van dat ik toch ook heus hoor wel desalniettemin;
Mijzelf meeneem
Ik ben ik
Mezelf niet meer als ik -
Zodoende het bekijken van
Wat was ik
Er schuilt een onschuld in
De leegte, in
Alles wat ik niet tegen je ging vertellen, in
Verloren verliezen vergeten geraken, in
Zwart-wit raken, in
Mijn strandwezen, in
Het verleden veranderen willen, in
Jij in het water.
ik die niet weet,
ik die niet wist,
ik die vergeet,
ik die betwist,
ik die haar date,
ik die haar dist,
ik die vergaf,
ik die baaldag.
Ik wou dat ik kon zien,
Ik wou dat ik kon weten,
Ik wou dat ik mezelf niet in wat haaitjes had gebeten.
De telefoon bloedt dood,
De accu die laat scheten,
Maar ook zonder bel, laat ik het heus afweten.
De tv die is niet mooi,
Die is eigenlijk heel lelijk,
Gooi ‘m uit het raam, da’s dan wel zo eerlijk.
Het leven is geluk,
En ook dodelijk,
Tevens erger-, deugde-, belache- en aantrekkelijk.
Dit gaat nergens heen,
Zelfs niet naar oranje,
Met dat in de wetenschap, is dit louter franje.
Een wervelwind begint als een kind: klein zal hij willen opgroeien, met de riemen van het roeien. Stoeien, en ook zich overal mee bemoeien. Totdat hij sterk en konings is, in zijn hoofd dat gemis, van toen hij klein was, enig in zijn ras. Nu vernielt hij dingen, rondom Aarde in kracht acht, maar zal ooit winnen?
Een gevecht van kunst tegen tijd, en de strijd met mama natuur. Ik blijf binnen zitten, kijk op buienradar, wacht dan nog een uur.
Ik besef me zojuist dat ik mij op een zinkend schip begeef.
Binnen de kaders,
Binnen de lijntjes.
Vinden wat flaters,
Verslinden wat geintjes.
En zo geschiedde het,
Dat hij zich op de fiets bevond,
Terstond de weg naar Amsterdam vond,
In een zon, trappers en geen zet.
Door idyllische plaatsjes, met gebruind gezicht,
Langs bomen, water, vrijheid lonkt,
Over bruggen met gewicht,
Steeds de zon, want da’s lekker licht,
Tot z’n hart weer in Leiden bonkt.
En wil je dan dat ik,
Na decennia lang mij,
Verander?
Hell yeah.
Alsof ik zou willen dat jij,
Na al die jaren jou,
Hetzelfde gebleven was.
binnen de warme avond verlaten
voor een zachtkoude wandeling
spetterende regendruppels in de plassen van vergeten stenen
een geleefde man met hoed die zijn trouwe viervoeter uitlaat
laat mij maar wandelen
ik neem je wel
in gedachten mee
(10 januari 2007)
nooit meer stilte stilte
nooit meer gisteren
tijd aan het verduisteren
gevangen in woorden van kilte
te laat begonnen
te lang gewacht
nu heb ik mijn angst wel overwonnen
maar is ze al ontkracht
(3 juni 2007)
Alles wat ik maak gaat kapot,
Ook al ben ik binnen,
Ook al blijf ik binnen,
Het blijft: verrot.
Niets van wat ik doe is heel,
Soms ben ik strevende,
Soms ren ik wetende,
Dit is: te veel.
Daar een beving, hier een mogelijk hoofddoekjesverbod,
Daar grote golven, hier spant men krampachtig samen voor meer, meer, meer genot.
In plaats van effe wat bewuster,
Papier hoort niet op straat,
Groen leven is geen zonde,
Ook niet als Japan vergaat.
Schrijven, schrijver, schrijfst.
Tijd om op te staan, tijd om onder te gaan. Tijd om te blijven, tijd om te veranderen.
Hier ben ik veilig. Hier wordt vermoord.
Dit is een sinaasappel, en dit een banaan.
Om verder te komen, zal ik gaan.
Een rustiek gelegen oord.
Zonder anderen.
*grijnst*
Hopla. Pief-paf-poef.
Een dief verstopt geld in een zoef,
in zijn kapotte schoen.
Wat ‘n oen.
Maar hij rookt niet.
Ik houd niet van tranen,
Maar ze vallen toch om,
Gedesillusioneerd,
Loop ik op TomTom.
Want geen weet van de liefde,
De weg, het waarom,
Strand ik hier matig,
Alleen stom en dom.
Want de liefde is heilzaam,
De liefde maakt pret,
En de liefde maakt grapjes,
Al is de liefde besmet.
Geen woord meer te zeggen,
Zonder mail, sms,
Volledig onbereikbaar,
Ook op nul zes.
Schrijf ik brieven van liefde,
Adresseer ze aan jou,
Toch verliest de postbode,
De liefde heel gauw.
Maar de liefde is prachtig,
De liefde is groot,
En met één meter zestig,
Past ze op de vloot.
Ze wil geen verkering,
O jee wat nu,
Doorgaan met leven,
‘t Klinkt best wel cru.
Toch zal ze zo boeten,
Voor wangedrag,
Want mij niet liefhebben,
Is iets wat niet mag.
Zo de liefde bevaren,
Op kalm blauw kunstgras,
Zal ik haar bewaren,
In een water vol gas.
Geen woord meer te zeggen,
Want ja ze is dood,
En die één meter zestig,
Ligt nu in de boot.
*plons*
Te blubben met vissen,
Neem lekker een hap,
Wat zijhij niet weten mag.
Welkom bij de foute feestjes,
Talenten van weleer.
Dit zal zijn:
De plaats waar jullie sterven.
Onder een willekeurige sterrenhemel,
Verorberd worden door een grizzlybeer.
‘t Doet geen pijn,
‘t Is alleen maar herhaling van:
Het Refrein.
De zoektocht naar geluk.
Hier heb je een biertje, daar een sigaret.
En als je even niet oplet wordt de deur er wagenwijd opengezet.
Je leven is heerlijk en je leven is een pracht.
Totdat de vingerverf op is en hij die denken zou: die wordt geslacht.
Ik wil ik wou.
Miauw miauw.
Allemaal een stapje minder zorgen,
Een beetje meer vertrouwen.
Opdat we dan een veiligheid waarborgen,
Een wereld om op te bouwen.
Geen honger, geen oorlog, geen geweld,
Want het is alleen maar liefde.
Liefde:
Dat wat altijd beter telt dan geld.
Verneder me, sla me.
Voer me, vervoer me.
Sluit me op, beticht me desnoods van oplichting.
Verbrijzel me, ga op me zitten me.
Verbrand me, vermaal me.
Steek me mijn ogen uit, knip me desnoods m’n oren af.
Maar lief me niet heb.