Niet voor de lapsoes

Allesch komt goed.

Mijn handen zijn bij elkaar. Ik zie de dingen helder misschien. Muziekje, hapje, drankje, beeldschermpje.

Wat zal ik doen? Waar zal ik gaan?
Op het eind is immers de hemel mijn bestaan.

Als ik toch minimaal mijn best doe,
geen steken laat schieten, of moe,
dan komt alles wel terecht op pootjes.

Maar als je kijkt is de waarheid lelijk,
Doodslag en jaloezie maken ons geluk.

Welke emotie kun je zijn? Voor altijd zal ik praten, je in je ogen kijken en weten dat het klopt. Allesch komt niet goed want een utopie bestaat louter in een streven. Er ontstaat heus actie, iets dat de geest doet beven. Toch zou alles net wat beter zijn, als we al het slechte slechts stopten in een film of spel, in plaats van een echtelevenkwel. Het verdriet is waardeloos.

Morosofie

De verre afstand wordt verder. Ik zag je niet, ik spreek je niet. Jij bent zo’n perfectachtige meid, zaakjes goed op orde. Ik ben meer van de orde in een chaos. Iets moet chaotisch zijn om het beeld fatsoenlijk te representeren. Leef je langer, leef je banger. Mijn geluk in tweeën gedeeld zodat wat precies? Jij bent er even vaker, om dan weer wekenlang weg te wanen wanneer woorden wisselen wenselijk was. Welkom in Leven 22.8. Er is tijd tot iets leukers je gezichtsveld verblijdt. Net niet? Schiet—en wij af.

Een nieuwe schouder

We schrijven Kerstmis en vooral zullen we kanen. In voeding vinden we ons vertier; het edelachtbare geluk. De weledelgeleerde planeet heeft dat maar te accepteren. Alles wordt afgeschoten en ruzie bestaat niet en ik vind het goed wat Beatrix te zeggen had.

Ieder jaar dezelfde lichtjes. We doen zogenaamd sociaal maar ondertussen willen we allemaal wel iets te zeggen hebben. Zien kan je me niet en ik denk ook absoluut niet aan je, daarom staat deze zin er ook. Iets kan niet meer zijn wat het was. Meer dan overdag zie ik ‘s nachts als mogelijkheden groeien; dat kunnen zijn wat nog nooit heeft bestaan. Ik overtuig mezelf ervan dat ik je ergens tegenkom, binnenkort genoeg.

Dit blijft

‘s Morgens ik wakker. Na alle dagen van: “Het niet-zijnde bestaat natuurlijk niet, want als het niet-zijde bestaat, zal het tegelijk bestaan en niet bestaan. Want voorzover het als niet zijnd wordt gedacht, zal het niet bestaan, maar in zoverre het als niet-zijnde bestaat, zal het weer bestaan. Nu is het volledig absurd dat iets tegelijk bestaat en niet bestaat. Het niet-zijnde bestaat dus niet.” (Gorgias)

Ik kijk en probeer niet te oordelen. Ik probeer te zijn zoals ik was zonder informatie. Zal er dan gerend worden? Of zal men slapend schoppen? Ik probeer niets, kijk naar het schilderij aan de muur. Als de meid die dit ooit schilderde op dezelfde manier als ik ervaart dat er dingen zijn die zijn, zonder te veranderen, was het dan ook zo op het doek terechtgekomen? Veel zie ik veranderen. Beter? Niet uitsluitend, integendeel.

Je maakt alles kapot wat mooi leek.

Ik leef in ignorantie,
Iets met ketel en de druk.
Mijn dag kan niet meer stuk.

Keuze hier, Swirl daar, vakantie waar?
Dit kan je, dat moet je, wat nou, doetje.
Stik ik, flik ik, mik ik. Buiten alle vormen van een roos.

Ik ben de tel kwijt

Vandaag ging ik zitten,
Een stoel zonder doel.

Morgen zal ik lopen,
Op schoenen die zoeken.

Trouwens gister, gister zou ik fietsen,
Pedalen beamen verhalen.

Ikbennietbang,
Graagzowilikanders.

Een mes

Zo zo zo.

Soms sneeuwt het. Soms waait het. Soms schijnt de zon. Maar altijd haal ik adem, weet ik veel waarom.

Ho ho ho.

Vaak regent het. Vaak bewolkt het. Vaak schijnt de zon. Maar nooit een hittegolf in december, ik weet waarom.

Jo jo jo.

Nooit orkaant het. Nooit watersnoodrampt het. Nooit niet schijnt de zon. Iedere maand een nieuw extreem gemiddelde, omdat het kan daarom.

De Dynamitard

Op reis zonder jou. Dat gaat ongeveer zo: Niets wat ik doe heeft zin. Dat klinkt negatief, maar ik houd ontzettend van die gemoedstoestand, omdat het alles mogelijk maakt. Niet dat er geen grenzen zijn (die ligt bij geweld, verbaal of nonverbaal); het absorbeert conventies (on)behoorlijk goed.

Ik ben boos op mezelf, mijn muziek staat te hard, misschien moet ik de Dikke Van Dale gaan lezen. Vergeet de complexe complicaties. De almaar voltooide edoch toekomende tijd: Ik zal hebben gelachen. Ik zal plezier hebben gemaakt.

Oh, trouwens, ik lust je ontzettend rauw.

Ole ole

Ga je voor, het gelukkigst te zijn? Of, ga je voor, het zinvolst te zijn? Kunnen deze twee opties met elkaar of alleen naast elkaar bestaan? Kan je er wel bewust voor gaan, of is het iets dat gebeurt, met maar een beperkte mate van invloed van buitenaf, binnenin, of waar ter wereld dan ook?

Ik ga voor sinaasappels met een vleugje pianomuziek.

Waar gaan we heen? Niet dood, niet levend. De tussenfase. Enerzijds verander je de wereld niet, anderzijds is er bewijs dat je er bent: instanties weten dat je leeft: belastingen, bankrekeningen, bonnetjes.

Ik haat woorden. Kijk: zoiets zou door Kabouter Wesley gezegd kunnen zijn in een van de strips. Het probleem is dat zelfs dátgene dat zoveel mensen aan het lachen laat brengen, geen oplossing is. Voorbeeld? Voorbeeld! Op verschillende websites staan de ‘beste’ foto’s van 2011. Op de meeste foto’s staan mannen met wapens, of verwoeste levens, groot vuur. Ook is er een foto van iemand die tijdens een stunt om, in de lucht, van een helicopter naar een stuntvliegtuig te gaan/springen/iets, zijn balans verliest en letterlijk naar zijn dood valt. Het moment dat hij net zijn balans kwijt is is in bijzonder hoge kwaliteit door een fotograaf vastgelegd. Ik zie het. De letterlijke tussenfase tussen leven en dood. Natuurlijk weet ik: als zulke beroepen kunnen bestaan in onze samenleving gaat het goed, toch? Het leven is niet het hoogste goed, is het de spanning? Steeds meer nadruk op de zoektocht naar meer, meer, meer. Niet naar een nirwana.

Ik zie die foto’s. Ik zie vuur, haat, ellende, oorlog. Het door ons zelf gecreeërde ongeluk. En daar dacht ik juist keuze te hebben. Heeft niet iedereen de keuze tussen haat en liefde? Zou het zo dodelijk saai zijn als iedereen voor de liefde ging?

Mijn nieuwe hobby is mezelf tegenspreken.

Enkeltje Luilekkerland

Ik fiets onder de wolken, de maan. Ik zit op het zadel van mijn fiets en ik kijk omhoog en ik zie de sterren. Mijn voeten pedalen op de trappers voort. Trappen de pedalen voort dus. ‘Zoiets.’ Die ster daar is ook een zon, als je maar dichtbij genoeg gaat. Een zon met planeten met of zonder leven zou ik niet weten maar vast niet anders wisten we het vast en had iemand van een ruimtevaartorganisatie iets slims bedacht. Dan nog: doet er niet toe. Kan alles denken, kan alles zijn.

Een ieder doet dingen, vult het leven met, ja, met, ja, met, iets, vulling an sich, momenten is misschien een mooie beschrijving. Een ieder vult het leven met momenten, momenten die voornamelijk aan elkaar gerelateerd kunnen zijn, soms ook weer niet. Soms is het een willekeurige trein die voor een omslag zorgt. Of een baan, banaan. Alles kan? In ieder geval gedacht worden. Een ieder doet dingen, vult dat leven dus met momenten; aaneengeschakelde momenten. In een woonplaats met die supermarkt en die familie en die vrienden en dat soort meubilair. Ik loop en ik zie. Soms niet, soms niets.

De USB-stick is in China, Taiwan, whatever, geassembleerd — in elkaar gezet — iemand, zij het een mens, robot of een mens die graag een robot had willen zijn, of juist niet, in ieder geval iemand, heeft tijd en moeite gedaan om deze, net als de duizenden of miljoenen andere onzinproducten, in elkaar te zetten. In een verpakking te doen. Al dan niet werd dat dan weer door iemand anders gedaan. En vervolgens op een schip denk ik dan, vervoerd naar ergens anders. Naar het westen. Naar ons. Naar mij. Of tenminste: naar een bedrijf dat dacht: goh, dat is een leuke gadget, laten we dit soort meuk aan studenten geven. Het probleem: niemand heeft er (meer) iets aan. Het is willekeur. Waren wij geen consumptiemaatschappij, had de man of vrouw, maar hopelijk geen kind, niet die dekselse USB-stick in elkaar hoeven te flansen, had diegene iets anders te doen. Alles beter.

Een ieder doet zijn dingen, vult het leven met, ja, met, ja, met, iets, vulling an sich, momenten is misschien een mooie beschrijving. Momenten waarop USB-sticks geassembleerd kunnen worden, of iPods, of winegums vervaardigd, of melk gemolken, iets, wat anders kan zijn, maar juist het ene is. Zolang het simpel is.

Oneiromantie

Is het te laat. Hip hip hip. Neu. Iets over zijn, niet worden. Zal ik onthouden? Had ik kunnen vergeten? Ik verlies niet, ik droom des te meer. Probeer maar. Hop hop hop. Doe maar. Ik ren en mijn iPod is leeg en ik had hem nog wel opgeladen van tevoren maar dat ding is zo oud dattie niet zo goed meer tegen kou kan en z’n batterij verlept is dus (meer dan) de tweede helft moet ik zonder mijn muziek doen. Kan ik het (aan)(zetten)? Hap hap hap. Ik werp het beste van oktober op je af.

Zijn het akelige akefietjes? Of treurige toetjes?

Morose momenten.

Zo

Momenten:

  1. Ik zit schoon in de vieze trein.
  2. Ik wil geloof ik dat het moment niet eindigt. Iets wat ons vermaakt, ik zit er en jij zit naast me en zo samen zitten we en af en toe praten we en er zit dan iets van rust in mij: een comfort dat me oneigenlijk is, een stem die fijn is om naar te luisteren.
  3. De ene voet en dan de andere en zo stappen we weliswaar onafhankelijk maar toch beide voorwaarts. Ik wil je meer vertellen over het probleem dat eigenlijk geen probleem is. Het komt, het gaat, en soms is het zo snijdend en soms is het zo blij. Ik weet dat ik dingen zelf moeilijk maak. Zo voelt onwetendheid over het lot, het leven, geluk hier. Niet dat ik niet op mijn pootjes terechtkom — laatst viel een boterham niet met de beboterde kant op de vloer en moest ik lachen — kleinedingengeluk. Ik wil ook niet per direct zwaarmoedig. Dat van het strand is trouwens vooral iets wat ik me graag voorstel. Dat ik dan van het strand en van iemand houd. Afhankelijk opstellen wil en doe ik niet — kan ik waarschijnlijk niet eens meer met (zo) een gemak. Doet er ook niet toe. Dat ik lief en je soms te serieus. Nu praat ik te veel over mezelf.

De schrijvende pen vervult quotejes, zodat we niet meer zijn wie we zijn.

Post-it hier, post-it daar, post-it overal maar waar? Valt-ie naar benee, alsof het een schim. Ik vergeet voor jou, buiten is het boven min. In deze stad bij deze winkels, of op de universiteit, je weet dat het wordt verspreid: hoe men zich ook verblijdt.

Iets veranderen.

Al raast een storm de straat door nog steeds, sta ik naast de afgesproken plaats nog het meest; de kleuren verschillen soms, maar lege vierkantjes zijn het ooit geweest. Doet er verder niet toe, weet je nog wat het was, wat iemand door ons las?

Schrijf Engels, spreek Nederlands. Geen zin te ver, dit is thans de wereld. (Tenminste, die van Miss Denkt en ik.)

De juiste trein neemt je mee en de juiste fiets neem ik. Toch laten we iets achter.

Wiiihaaa

Het is een woensdag. Ik fiets naar het strand. Niet dat dat zo vlotjes gaat, met de westerstorm. De macht over mijn fiets heeft windkarcht acht als ik de duinen zie. Ik loop naar het strand. Ik probeer aan niets te denken. Je kan ook niet echt denken. Je moet zorgen dat je niet wegwaait, dat je weet waar je je stappen zet, anders word je onstabiel. Ik loop en ik loop en ik kijk.

Ik kijk zo uit over de zee, zoals dat al miljoenen of miljarden mensen voor mij ooit waar dan ook ter wereld gedaan moeten hebben. Zij zagen niet wat ik nu zie. Golf op windvlaag op golf op schuim op water op zand dat waait. Wind over krat, aansteker, jerrycan, schelpjes. Ik weet dat ik hier niet kan blijven. Wil ik ook niet, maar het idee dat je nergens meer naartoe moet: daar zou ik voor tekenen.

Het waait, beter: het stormt en ik sta daar op het strand richting de zee te kijken en de zon gaat schijnen. Nog meer diepte ontvouwt zich in de golven. Nog meer kleuren doemen op in het water. Ik waai weg.

Meer breken

Zonder jou, met jou, zonder jou, met jou. Ik loop rond( )je. Eerst iets van fruit, dan pas de lolly. Ik kan niet meer stil blijven zitten. Mijn voeten bewegen alle kanten op. Ik moet blijven zitten. Zonder jou, met jou, zonder jou, met jou. Complete overgave. Door door door door. Pak me dan, als je kan, je kan me lekker toch niet grijpen? Ik beweeg sneller dan de wind met de wind in mijn rug. Totale overgave. Zonder jou, met jou. Met zonder jou. Mijn voeten worden moe maar ik moet door door door. Te lui om op te laden. Hoe spel je dat? Je zou het spelen. Ik kwel.

Stilte. Tintelingen. Paar seconden. Dan moet het weer door: ik dans ik spring ik leef ik wil. Ik droom door de dag. De dag door droom ik, door door door. Met je, zonder je. Soms met iemand, meestal zonder iemand. Met niemand dan. Dus. En telkens gaat het weer eentje harder harder. Steeds beschadig je iets meer. Iets verder. Stapje, verder, door door, niet met je = zonder je. Jou ik zonder met of misschien ooit. Niet denken. Geloof je dat het bestaat? Dit gaat veel te extreem. Ik moet de dag door blijven dromen. Ik zou strand, zee, wind, jij. Ik niet met. Ik zonder. Zonder door door door. Zon, d’r door. Ik sta op het strand met windkracht acht en de zon erdoor. Ik voel.

Dit is on-ge-lo-ve-lijk. Stuiteren. Stuiteren. Doorstuiteren, met je, zonder je, ongeacht je. My source defines my data. Ik baseer mijn wineguminname op jou. Op een schim. Op een schim op reis, doe maar doorreis. Ik moet de ruimte in. Hell yeah. De ruimte door, met je, zonder je. Geen zomer winter alleen maar ruimte. Ruime ruimte? Ik brand.

Ik stort niet in. Dan maar geen koekjes, emotie of handdoekjes vouwen. Ik zei genoeg, maar tegen een muur praten is bewezen niet effectief. Toch zal ik je blijven kwijtraken. Ooit kom ik terug. Met hopelijk slechts mezelf.

Je prestatie is het gevecht van de week. Je wilt dat er niets speelt, dat alles gebeurt.

Ik besef me dat ik een fout heb gemaakt. Het hoeft geen grote fout te zijn — maar het kan me bevriezen in het doen, het laten, het zijn, het verdomme dit is geen uitgang. Ik voel.

Wilkweg

Het spelen brengt de hogere sfeer, mijn behartigde belangen onmacht. Het werkt niet altijd. Niet te prima begrepen we dat het zo niet langer kon: het verdriet ondeelbaar en de dagen tot het weggaan ontelbaar. De ik-ben-blij-dat-ik-zit-redeneringen zijn achter de rug, zodat er gefocust kan worden op “de belangrijke dingen des levens”, zo claimt zij na alle afgangen van middelmatigheid gezien te hebben.

Niet meer, niet het onderdeel van. Niet het begrip, het eindeloze weten. De tijd neemt ons mee, voert ons naar die hogere wegen. Alleen nog het horen van de onbestemde ontstemde piano’s waar zij andermaal een ondeugend deuntje op probeerde te rammen.

Mitluks.

Als je alles van me zou mogen weten

Zou je me dan geloven als ik het toestond?

Memoires (II)

Memoires is een serie tekeningen over personen die verdwenen zijn, maar hun sporen hebben nagelaten. Tijd voor deel II.

Niet ontoevallig ving ik op dat je ook geen bier dronk. Niet dat dat boekdelen sprak, maar genoeg aanleiding voor een e-mail van deze zak. (Achteraf is alles toch wel naïef. Maar op het moment dé oplossing. Het rijmt bovendien.) Een aanknopingspunt was er dus. Maar de stilteruimte is niet bepaald een effectieve ontmoetingsruimte op school. Onverdeeld onopgelegd. Achteraf is het makkelijk analyseren: ik onzeker, ik überhaupt geen idee wat of hoe dat verliefde voelen moet.

Toen werd het vakantie en toen ging ik op vakantie en toen ging jij op vakantie en toen ging ik naar de universiteit en toen moest jij nog een jaartje.

Niet dat dat oorzaken zijn, maar het vergroot de afstand, ingewikkeldheid. Als het echt iets was of werd, hadden we een afstand wel rechtgezet. Begrijp me niet verkeerd; tot aan toen kende ik vooral dat wat ‘nep’ was. Ideeën of liefhebbingen die alleen in mijn hoofd leken te bestaan. (Dat ook waren.) De eerste was je waarvan ik de indruk kreeg dat het anders kon zijn. Niet dat het een ramp is dat het niet werkte uiteindelijk. Ook al dacht ik toen misschien dat het het einde was. (In de figuurlijke betekenis van iets anders is er even niet.) In een ander deel kom ik er wel achter dat echte verliefdheid anders is, anders voelt. En nog meer is dan: jij bent een leuk, gaaf en bijzonder persoon.

Mooi ben je, blijf je, als ik soms verdwaald een Facebookfoto zie. Laatst ontmoette ik zelfs iemand die zo-heel-erg op je leek dat ze misschien daardoor spontaan even mijn onverdeelde aandacht opeiste. Oppassen geblazen.

Ik vind het best

Het is niet hetzelfde. ‘Dingen’ zijn veranderd. Ouder, ja, jonger zou zorgwekkend zijn. Wijzer, ja, dommer zou jammerlijk en ergerlijk zijn. Ik haat deze cliché zo erg. Op naar het vroegere later:

Dat jij na alle jaren zonder mij, zond— soms, soms is er zo’n moment dat alles terugkomt. Contouren, slechte grappen. Ik zou de deur goed open willen houden. Niet meer om te vallen in een giechelend genant moment waarbij het woord het opneemt tegen het gebrek aan de daadkrachtigheid van er voor je zijn. Ik overcompenseer.

Ik heb niet meer gegiegaagd. Niet meer sinds het vertrekken. Wel bij het verdwijnen. Hoe harteloos moet ik me opstellen, afsluiten, opbergen. Ik kan de hoeveelheid niet meer aan, jij hebt ze — of me — nooit begrepen.

Ik zou je vragen om mee te gaan naar de storm. Voor eens, niet voor altijd. Ik zou je tonen wat ik in de wind zie. Ik probeer tegen muren te praten.

Weggevlamd

Ik ga weg.

Ik ga nu. Ga nu weg. Ga nu maar.

Maar ga nu. Ga terwijl ik gehakt van je maak.

Rennen gaat ook stap voor stap. Maar dan sneller dan je gewend bent.

Jouw woorden donderslagen. Zoiets als die storm van tweeduizendelf december. Iets wat niet op foto kan, wat je alleen voelen kan.

Mis ik niemand in het bijzonder?

 

Of ben ik vooral sprakeloos?
Hoi God, hoi meededogen, hoi verlegenheid, hoi scheel roze konijn.

Één ding weet ik zeker vandaag: ik houd van iedereen maar van jou in het bijzonder en ik ga vroeg en lang slapen vanavond. (Alleen vandaag is dat één ding. Gelukkig is het morgen weer een vandaag.)

Begin, boven, beregoed.
Banaan, beneden, bemiddeling.

Boven, buiten, bewolking.
Beneden, binnen, bevolking.

Buiten, lucht, lekker.
Binnen, licht, muf.

Lucht, lanceren, lopen.
Licht, lezen, letters.

Lanceren, laatmaar, liefde.
Lezen, like, liefde.

Immobiel

geen toets te maken
geen muis te paren
geen scherm te staren
geen knop te raken

anders is alles al
lang mag loos niet duren
heb ik verval in gewoontes te verduren
het lijkt sterk op klimmen uit een dal

(8 november 2008)

Ik zit vol met slechte ideeën

Aan de tekeningen valt niets te doen. Ze kunnen opgeslagen of verbrand worden. Kies maar. Opruimen kost ruimte, het branden energie. Wil je een herinnering? Aan jezelf, aan mij, aan wie dan ook, aan de tekening van een iemand die er zogenaamd leuk uitziet, totdat hij in nog betere kleding ten tonele verschijnt, strijdt. Iets is wat het is, maar datzelfde iets is áltijd subtiel. Niets is grof, kan grof zijn.

Tijd voor meer pit, meer energie, meer troep de verbrandingsoven in. Je loopt en stuit op een tekst: “Ik ben 45 en gebruik Nivea blabla.” Ironisch, want er had moeten staan: “Ik ben eigenlijk 40 maar heb gelogen op mijn cv en zelfs nu moest ik nog gephotoshopt worden en ik krijg geld zodat er staat dat ik Nivea gebruik.” O zo. Mensen hebben problemen met de waarheid. Of ik kijk te veel House. Meer willekeurigheid: oldtimers, iemand heb de klok wel horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt. Fauna & flora, printers, een vraag die duizend mensen zich weleens hebben afgevraagd. Doe daar maar een kilo van.

Ik schreeuw dat ik wil ontsnappen. Ik schreeuw dat het zo niet door kan gaan. Ik schreeuw dat ik je verkeerd behandeld heb. Ik schreeuw dat ik niet meer kan schreeuwen. En dan? Zing ik van hetzelfde. Geen slapeloze nachten meer.

Uurtje treintje

Plaats neem ik in de lege trein zorgvuldig. Glazen deuren, blauwe stoelen, treinstel 9593. Het moment dat ik neerplof op een van die blauwe stoelen hoor ik gestommel op de trap achter me. Een debiel-in-opleiding, een kind van een jaar of acht, tettert veel te hard dat hij bij het raam wil en of dit eerste klas is. Sta ik op, changer de coupé, of blijf ik zitten waar ik zojuist zo zorgvuldig plaatsnam? Ik ben te lui en heb muziek, dus goedkomen zal het. De dames van Scala helpen vast mee, misschien zit er wel een nog harder krijsende baby in de coupé onder me.

Op Zuid staat een ongelofelijk mooi geval. Met haar backpack (autocorrect geeft aan: badpak, mocht ik willen) en gympies. Anderhalve minuut liefde later continueren we op ijzer. Grote gebouwen in geleend geld. Honderd plus honderd auto’s. Rood, blauw, sporadisch geel, vooral wit en zwart en wat daartussen zit. Valt niet op met die bewolking. Is water blauw? Zijn regendruppels blauw? Hoi ArenA, dichterbij Ajax kom ik niet. Geen liefdes hier. Alleen een gemutste oudere man met een rietje in het blikje in zijn handen. Ik hoor dat mijn ziel in tweeën wordt gescheurd door een artieste die redelijk waarschijnlijk niets gemeen heeft met de zojuist beschreven man, behalve de huidskleur.

Ik had het leuk gevonden als metaal felpaars of felroze geweest was, maar dan wist ik niet beter dan dát en had ik gefantaseerd over grijs metaal. Dag ArenA trouwens. Tussendoor nog even gedag zeggen tegen DB Cargo en een metro, terwijl Paskal Jakobsen mijn naam wegstreept. Dankbaar ben ik hem, niet zozeer voor het strepen als wel voor het zingen.

Opeens zijn de flats schapen geworden, al stapelen zij zich (nog?) niet op. Nu vallen de andere kunstmatige dingen meer op, zoals hoogspanningsmasten. Ditzelfde nemen de luidruchtige kindjes achter me waar. In het water zie ik ook. Meruada passeren we, net zoals Laila M en Kepler. Zouden we meer overeenkomsten hebben dan het feit dat we beide onderweg zijn?

Tijd voor een appel. Het blijkt een verschrikkelijke meelbal en halverwege de appel, bij Maarssen, is het over en uit voor dit stuk fruit. De energie van de jonge heren achter me is trouwens op, en naast het zo nu en dan tegenkomen van een tegenliggende maar niet verloren trein en een brug is het achtergrondgeluid tot een minimaal teruggebracht, ventilatie uitbegrepen.

Hijskraan! Die is nog niet genoemd. Drie, oeps vier in één oogopslag zelfs. Drie keer geel, een keer groen. Hallo koploper naar Groningen. Hier in Utrecht blijf ik lekker zitten, maar veel plezier met de voortzetting van uw reis. Ik werp een blik naar binnen en zie een gapende vrouw. Zo saai kan treinen zijn. Jullie spoor 11, wij, of ik, 18b. Dat is ongebruikelijk voor een intercity. Meer mensen, meer stemmen, meer kinderen. De trein staat lang stil. Te lang? Na een paar minuten komt er een jongeman schuin tegenover me zitten die op zijn lelijke Toshiba gaat zitten typen. (Dat laatste woord is belangrijk in die zin, vandaar dat deze vet is.) We laten Utrecht achter ons en ik mag er over een halfuurtje weer uit. Dan houdt dit verhaal op en dat is best eng, want ik wil dit niet stoppen. Goedkopevliegticketsreclame. Het zou verboden moeten worden. Ze zijn in ieder geval niet de goedkoopste, want ze moeten de kosten voor die dure reclames toch & nog terugverdienen. Mijn verbitterde eerste gedachten.

Wegens werkzaamheden zijn er geen treinen tussen ‘s-Hertogenbosch en Boxtel, roept iemand om. Heerlijk. Iets is of niet. Meestal wordt zoiets in termen van een proces (rijden, mogelijkheden) uitgedrukt. Tegenover het gangpad zitten twee jongedames die elkaar niet kennen. De een met koffer en telefoon, de andere ouderwets met iets van papier. Helaas een Cosmo. Je kan niet alles controleren. Ben van Blinq valt me met zijn stem heus niet lastig. Het staat o zo lang al op mijn muziekspeler. Hij zingt over iemand die Mauro zou kunnen heten. Toen hadden ze echter nog geen sociale media om mee te dreigen, of mogelijkheden om Rutte te tweeten.

Eindelijk, naast wat seintjes, bovenleiding en rails louter weiland en kale boompjes. Zo’n dertig seconden. Dan vervalt het landschap in een van de duizenden dorpen. Met kantoren, bruggen en tunnels. (Die waren allemaal nog niet genoemd, maar maken het verhaal behoorlijk compleet.) Oeh, de jongen schuin tegenover me heeft een beetje een domme kop. Kan hij niets aandoen, maar het valt mij op dus wordt opgeschreven. Soms is het leven heel simpel.

Kerk. Telefoonmast. (Waarom ik het telefoonmast noem terwijl het vooral sms — of nee — internetverkeer zal verwerken weet ik ook niet.) Dit is Nederland in ieder geval. Nederland vanachter een raam dat voortgestuwd wordt, als ik het maf beschrijf. De accu wordt uit de laptop gehaald en beide onderdelen gaan zijn tas in. De beide, maar nu benen, worden gestrekt. De neus geïnspecteerd. Ik zie alles. Of veel. Hahaahaar Cosmogirl, en ik strek de beide beentjes ook want mijn voet heeft zonder toestemming besloten te gaan slapen.

Ik probeer niet het saaiste of langdradigste verhaal ooit hier neer te zetten. Maar zo kan het ook. Iets is wat het is, dit is wat ik zie. Als je het beter kan, neem dan zelf de trein van 13:44 van Schiphol naar Den Bosch op een eerste zaterdag van een december. Je bent uitgenodigd (als je zelf betaalt).

Wolken worden donker en we nemen een afsplitsing naar de Betuwelijn gelukkig niet. (Mag ook niet.) Iemand ziet iemand anders zo, afgaande op een gezichtsloos telefoongesprek achter me. Te lui om om te draaien. Laptopnerd heeft zijn ogen erbij gesloten en mevrouw koffer is nog steeds aan het sms’en, whatsappen of internetten. Of aan het schrijven, net als ik. Kan ik niet weten, kan ik niet zien. Een brug en nog meer water passeren we. Een rode auto en nog een telefoonmast. Station Zaltbommel. Niet dat we er stoppen. Nóg een mast; does this shit ever stop? Nederlandbloeit.nl en meer schapen. Heb ik de koeien gemist? Nope. Bijna was ik bang aan de verkeerde kant te zitten maar ze verschenen in de verte. Ga je me nadoen: met de richting van de trein meereizen, aan de linkerkant. McDonald’s papa mama stop!!! (Dit dacht ik alleen, of misschien ook dat rotkind, niemand zei het hardop in ieder geval.) De trein stopt niet, de Mac is smerig en ik ben juist op weg naar papa en mama. We passeren het laatste water, de Maas, en bijna die grote (nieuwe) windmolen. We zijn in Den Bosch en een dezer zinnen moet ik afscheid nemen van dit stuk. Heb je het volgehouden, heeft de herfstreis je van 0 tot 100 kunnen boeien? Zo’n zestig minuten zijn dit. Zestig minuten van mijn leven zijn tot op ieder woord nauwkeurig, tot op iedere gedachte opge- & beschreven. Weer ‘s wat anders. Nu ga ik opruimen terwijl we echtecht de laatste brug en water overgaan. De trein rijdt niet verder bovendien!

Waarom reageren (tijdelijk?) niet meer kan

Ik ruik, ik ruik, wat jij niet ruikt

Buiten. Laat me beginnen bij: wat ik erg goed kan waarderen is gras dat niet zo heel lang geleden gemaaid is of een windkracht die de zilte zeelucht om mij heen doet blazen.

Binnen. Op naar eten: vanzelfsprekend taart bakken. Of zelfgemaakte pizza’s uit de oven; maar die ruiken lekkerder als je veel honger hebt. Het beste hier is overigens een vers geslachte sinaasappel (of citroen). Verder: warme chocolademelk met of zonder slagroom doet het ook bijzonder goed.

54. Ademnood, douchedinges of shampoo, deodorant of aftershave: aanvaard ik met liefde. Probleemconstatering hier is dat (bijna!) alles lekker ruikt, maar dat je dat alleen de eerste vijf keer dat je het gebruikt echt opvalt. Daarna wordt het een beetje gewenning, gewoontjes. Gelukkig leven wij in een consumptiemaatschappij (ooit gedacht dat ík dat zou zeggen? ik niet bepaald) dus kan je oneindig blij (zijn met) ruiken. Toch klaar? Begin dan weer van voor af aan! Vergeten blijft de bom.

Voor een keer kan ik duidelijk zijn over wensen: ik wil op een pad van gemaaid gras met een sinaasappel de zee indouchen. Ik neem je mee.

Zonde is het, alles loopt in mijn honderdduizend gedachtes weg. Een kat valt per ongeluk van een schutting, ik weet allang niet meer waar ik eisen leg.

Het is hier, voor jou, omdat ik ben, en liefheb. Maar het kan dan nog altijd  of  zijn…

Geen slagroom, maar het kan ermee door

Mijn rusteloosheid uit zich eens per twee nachten. Iets met raar ritmisch ronddraaien. Je bent een alles, schrijft een waarheid. Meeleven meenemen meedoen. De speler ben ik.

Maak er maar metaforen van, daar ben je toch o zo goed in. Ik bedenk het me, en dan merk ik dat ik weer in het bos sta. Ik draai rondjes. Ik zie bomen, ik kan alleen maar groen en bruin zien. Waar ben ik heengegaan en ik ben hier naartoe gelopen, maar hoe? Je ziet het, je ziet het zelf ook: stel je een boswandeling voor. Een onbekend bos. Geen grote of middelgrote paadjes: alleen maar paadjes die op paadjes lijken, paadje zijn doordat zes mensen met hond uit de buurt vonden dat er een paadje moest liggen. Ik houd daarvan. Iets kan zijn gang gaan. Kleine sporen. Je beseft dat je goed moet opletten om terug te kunnen. Om een bewoonde wereld te kunnen terugkrijgen. Al weet je dat het bos goddank te klein is om serieus te kunnen verdwalen. Evenmin zullen beesten je na zonsondergang komen verorberen.

Laten we onverantwoordelijk gedrag vertonen. Ik verdrink in je poëzie. In alle momenten tussen het openen van die felblauwe voordeurogen en het moment dat er plots honderdttachtig graden gedraaid moest worden. Oude wonden helen, pulken moet je niet. Herinnering bij beetje ontvormen zich in de bovenkamer die van mij schijnt te zijn. Ik schreeuw, verniel oren die grenzen aan de zijkanten van die bovenkamer die van mij bleek te zijn. Cedo nulli, slechts omdat jij niemand meer bent. Dan wel kan zijn ergens.

Ik zal je zien en groeten. Over dat doorlopen twijfel ik nog even.

Betover, verover

Langzaam werd me duidelijk dat niet de wereld verging, zoals ik dat dacht, zoals dat in mijn hoofd zat. Nee, ikzelf verging. De last of pijn, het klapperen. Flesje water hier, stok achter de deur daar. Doorgaan voor het oprapen. Verdergaan voor het lijmen. Pas achteraf klagen. Of de bek houden. ‘Verkeerd om denken’.

Ik wens altijd alles. Tot het moment dat ik de voordeur opensloeg, jij daar met je felblauwe ogen mij aankeek. Soms wil ik dat terug: zo’n moment waarop het nog niet is vastgelegd. Waarop de woorden nog niet gesproken zijn, emoties nog niet geopenbaard zijn en wij nog niet getekend bovendien. Dat alleen samen weleens hebben gedaan: jij kwam erachter dat mijn poppetjes harkenhanden en -voeten hebben, evenmin haar, nek of geslacht en ten slotte een rugwervel het middenlichaam representeert. Terwijl jij zoveel controle over je harkjes had, dat al je tekeningetjes zo aan mijn muur hangen mochten.

Je draaide je een keer om.

Ik sloot de deur niet meteen: hoi kou, dag warmte.

Ik wens niet meer te weten voor welke deuropening je staat, ik wens des te meer dat je gelukkig voor die opening staat.

Stilleven

In mijn gezicht een vlakke hand,
Ik neem het op tegen de duinen,
Een vrouw en een strand.

We eten boterhammen,
Chocoladehagel kokosbrood,
Ik word niet levend begraven,
Is dit ooit mijn dood?

Waar we het over hebben,
Onze schitterende gebreken lezen,
Boeddhisme bioscoop,
De vroomheid ken ik al,
Het verhaal mijn levensloop.

Ik ben het zat, en dat,
Dat zal je weten schat,
In het water praat ik zacht,
Tot jij wakker, ik wacht.

Blijf maar buiten,
Stil beminde pracht.

Dapper

Op het eind van de nacht zie ik in een verte een streepje licht. Geen schemering, wat was het gaaf geweest als zwart wit daadwerkelijk het verschil tussen nacht en dag geweest was. Iets met fysica, onmogelijkheden en de wetten der natuur. Mijn hoofd twijfelt als ‘t balmeisje stap-na-stap voortdendert, of als enkele momenten en slaap later ik voor intelligentonbereikbaarmeisje de deur metaforisch én echt openhoud. Ik weet dat het niets bereikt. De lulligloosheden met het gebrek aan liefde stapelen zich op: graag zou ik liefhebben.

Soms ben ik ervan overtuigd dat er inherent te veel is: de oplossing is geen moment een langetermijntoekomst overwegen, je leven leven en louter leuke lampjes laten lumineren. (Bestaat niet, allitereert wel lekkâh. As if I care, hopla. Tijd voor meer subtekst en haakjes.) (Tot hier en niet verder dan.)