Traagzerig en bedolven onder haat liep hij door de stad. Ik haatte het. De blik van vertraging in zijn ogen. Het zeuren bovendien. Ik wilde graag slapen, maar het kwam niet. Wel moe en moe. Maar geen ogen dicht kunnen houden. Op de hoede voor zijn oordeel over mijn levensstijl. Verzucht, niet relevant maar toch beroerd, zo wil ik niet beoordeeld worden. Laat me dan!
Toen kwam, om het verhaal te laten boeien, zij in het spel. Altijd zij. Ik wil haar best in mijn hoofd. Echter niet zonder jou. Halverwege je grappen. Dat ik dan nog steeds graag wou slapen.
Nu praten we natuurlijk niet meer. Want dat is wat er is gebeurd. Ik had het kunnen weten. Ik had het moeten weten. Kunnen lezen aan je lichaam. Kunnen zien in je woorden. Ik mis je armen die me lieten vlammen. Vlammen louter voor jou. Traanvol verder.
Een afscheid verloren in de rijm van achterstallige poëzie. Zelfs dat niet.
Vroeger kon jij drie tafels tillen, ik slechts de tafel van drie tellen. Misschien was het toen al voorbestemd dat ik in theorie theoretisch beter zijn zou dan jij fysiek.
Ik laat je rustig inslapen, waar je ook moge zijn en wat je ook moge doen. Dan maar een nodeloos einde aan ons: een abrupte noodstop om nooit meer op gang te komen.
Maar roest schijn je weg te kunnen halen met cola. Wil je iets met me drinken?