Een cirkel is rond.

Eruit. Janken. Voeden en Opvoeden. Spelen. School. Speeltuin. Zwemdiploma. School kwadraat. Schoolplein. Rook. Snuif. Hardcore. Slaan & Schoppen. Lieveheersbeestjes vernielen. Zinloos geweld. Stille tocht. Vervolgschool. Uitgaan. Stage. Meer uitgaan. Baan. Meer baan. Nog meer baan. Huis, Boom, Beest. Hypotheek met Kinderen. Speeltuin. Baan weer. Baan weer meer. Pensioen. Grootoud of Ouder. Kist.

Waarom moeten dingen moeilijk? Wat je ook gaat of laat, de bestemming is, waar je dan ook in geloven mag, gelijk. Of geloof ik alleen dat dan weer, zodoende zittende in een eindeloze cirkel van paradoxen?

De te bereiden patat die al gegeten was

Na het trouwincident van gisteren besloot ik dat het tijd was voor tijdelijke oppervlakkige hedonistische behoeftebevrediging door middel van het aanschaffen van een zak friet bij een smoorhete snackbar. Één wachtende, waarbij het er niet toe doet of hij voor of na mij was, wist tweehonderdduizend euro uit een fruitautomaat te jagen bij zijn eerste inworp van twee, geldeenheden dus, euro. Een gerucht van euforie, die de uiterlijke kenmerken van een mislukte wave had, ging door de reeds eerder genoemde eettent. Ik stond stil, voelde me de enige levende als ik in driehonderdzestig graden een rondje rond mezelf draaien wist en onderwijl verlepte mensen aanschouwen moest.

Ik mocht goddank ergens anders naartoe. Zo pakte ik rond middernacht mijn absoluut niet goed gebakken friet aan van de man aan de andere kant van de streep. Misschien was het een vrouw. In beide gevallen: het was vet en had tieten. Ik stapte het voedselparadijs uit.

Ik onderbreek deze gebeurtenis even voor een kort intermezzo. Soms zijn er van die momenten in je leven, ze ontstaan uit het niets en het eindigt ook altijd in niets, maar het zijn momenten waarop je timing niet helemaal optimaal is. Dat het een minuut eerder was geweest als meneer niet de jackpot uit de fruitautomaat zonder vers fruit gewonnen had. Of dat het medewerkermens de frieten een minuutje langer had laten staan.

Want laat het nu het geval zijn dat juist op het moment dat ik met mijn zak de zaak verlaat, passerende mevrouw de dronkenlap vomeert, over mijn friet. Ik wou zo graag dat het voorgaande geen tegenwoordige tijd was, maar de voltooid verleden toekomende tijd, en vervolgens een ‘maar’ erachter. En dat ik die twee tijden tezamen met het verhaal van gisteren omdraaien kon.

Het te berijden pad dat al gereden was

Middenin het weiland besefte ik me opeens iets. We hebben deze weg al eens gereden. Ik wist nog welke discussie we hadden. Precies op deze plek. Weet jij het ook nog?

“Misschien zit er in een sexy lichaam minder brein.” Dan zijn we samen lekker dom. En jij meer dan ik, maar voor jou ik meer dan jijzelf, want we zouden onze schoonheden eens vergelijken. Dan zijn er dus twee opties: ofwel geen van ons beiden heeft gelijk, ofwel we hebben allebei gelijk. Kan je man überhaupt met vrouw vergelijken? Ik weet nog toen ik je leerde kennen en je zei dat je bang was voor slangen. Het begin van onze letterlijkheid en ik die altijd stofzuigen moest. Of de tuin sproeien in de zomer.

We moesten toegeven. Toegeven dat we allebei onzeker waren en elkaar mooier vonden dan onszelf. Geen bindingen van zelfkennis maar een stilzwijgend egoïsme, van deur tot deur, of eigenlijk juist andersom. Want als we egoïstisch waren dan waren we dat samen tegenover de rest van de grote boze wijde wereld.

We hebben mensen gesmeekt ons te vertellen wie het mooiste van het land van ons tweeën was. Totdat zij haar grootste troef inzette toen zelfs haar beste vriend zweeg. “Als je niet zegt wie mooier is dan vraag ik je ten huwelijk.” En egoïstisch als hij wel was liet hij zich dat geen twee keer zeggen en accepteerde haar aanbod waardoor haar lot voltrokken was, ik alleen. Zo eindigde alles tussen haar en mij. Een uit de hand gelopen grap die ons voor het leven tekenen zou. Voor mij bewees het dat ze bovengemiddeld mooi was en mooier dan ik: mij zou hij namelijk nooit trouwen, ik hem niet vragen bovendien. Trouwens (tevens ten slotte), als de stelling uit het begin van de tweede alinea klopt, dan was hun bruiloft hét levende bewijs.

Opzij, opzij

Venijnig is het woord dat ik je geven zal, zomaar tussendoor of met je verjaardag. Maar ik heb alleen kerstzegels van drie jaar terug, dus dan moet ik wel fucking vijftien cent bijplakken; alsof je me nog niet genoeg gekost hebt. Hoewel het tot nu nooit in geldeenheden maar mentaal was. Niet dat je bezint en alle pakken melk en zakken brood alsnog haalt. Wel een doorgang. Ik wil een avond lang schemerzon — zo hard westelijk koersen opdat de zon nog maar niet ondergaat. Met jou, in mijn rechterhand, of links, als je na mijn twee uur even hard durft.

Uiteindelijk komen we bij een kust. Dat zegt de wetenschap van de aardbol ons tenminste. Ik geef je, niet-begrijpend en sereen, een SpongeBobknuffel. Je loopt weg. Je kijkt gelukkig, maar niet om, Totdat je verdwenen bent. Niet van de aardbodem maar wel uit het zicht.

Brump

Want we zien geen tien maar mega meer. Als ‘t zeer onder onze voeten de tijdloosheid van rust begroeten. Moeten we dan rechtsomkeer maken, staken in het vuurpeloton van het oog der zon, een lofzang op de wang van bang! weer een vreemdgevormde ganger die banger nog dan ik weten zal hoe ze nu daten zou met vergeten jongens van weleer. Hetzelfde keer op keer. Controle is een illusie, zeker als onze fusie bestaat, want dan gaat de daad veel te laat zodat vergaan het enige woord is wat ik geven kan. Maar vertel me, vind jij hetzelfde dan?

Of je kijkt

Wel mooi mooi maar niet het gewenste typen. Dat je wel praat en praat maar er geen discussie ontstaat. Wel woorden wisselen maar geen draad om ze aan op te hangen. Ze bereiken de ontvanger wel, maar dwalen ongestuurd verder de straat door. Proberen is weten. Maar weten is soms balen.

Eens te meer

Tijd passeert.

De gedachten zijn meedogenloos streng. Hoe groot moet iets zijn om invloed te kunnen uitoefenen? Waarom die gemakkelijke beïnvloedbaarheid, je had mij toch?

Tijd passeert.

Maar je bent een brein. Honderd miljard zenuwcellen. Hoeveel daarvan weten ‘mij’? Hoeveel heb je er nodig me te herkennen in een menigte? Of woorden, hoeveel om te weten dat ík het ben?

Tijd passeert.

Mij voorbij.

Beter een verre chatpartner dan een goede buur?

En wel hierom. Het gebeurde trouwens louter vanzelfsprekend allemaal op negentien juli, immers.

Jaap § wups nl says at 20:48:

“En je kan wel waarom vragen en blijven vragen.
Maar er is een theory of randomness.
Sommige dingen gebeuren gewoon.
Kijk maar naar de zee.
Iedere keer weer golven.
Uit het niets.
Of heb je ooit God een golf zien aanduwen?
It just happens.
Niemand weet waarom!
Ja goed, golven in de zee is misschien geen bijster goed voorbeeld…”

Inwisselbaarheid

Bent u niet tevreden, dan kunt u hem tot twee weken na aanschaf retourneren aan de balie van de service. Vanzelfsprekend alleen met de verzegeling intact.

Maar wat nu als de verzegeling gebroken was en ze me na twee maanden toch terugsturen wou? Ik dacht eerst van: dat kan niet, dat mag niet, dát gaat tegen de regels van het spel in… Haar motto was desalniettemin: “Die winnen wil moet wagen.” Dat deed ze, met succes. Dus ik mocht tegen best veel beter weten in toch nog ingenomen worden.

Nu zit ik hier in een doos zonder batterijen te niksen. Daar kan je veel woorden over schelden, maar het is, in principe, wel een nette service hunnerzijds, nietwaar? Was ik maar eenzijdig en dan die andere mening toegedaan zodat ik het begrijpen kon.

Ik hoop dat je tuin vol onkruid staat.

Nog steeds niet

Traagzerig en bedolven onder haat liep hij door de stad. Ik haatte het. De blik van vertraging in zijn ogen. Het zeuren bovendien. Ik wilde graag slapen, maar het kwam niet. Wel moe en moe. Maar geen ogen dicht kunnen houden. Op de hoede voor zijn oordeel over mijn levensstijl. Verzucht, niet relevant maar toch beroerd, zo wil ik niet beoordeeld worden. Laat me dan!

Toen kwam, om het verhaal te laten boeien, zij in het spel. Altijd zij. Ik wil haar best in mijn hoofd. Echter niet zonder jou. Halverwege je grappen. Dat ik dan nog steeds graag wou slapen.

Nu praten we natuurlijk niet meer. Want dat is wat er is gebeurd. Ik had het kunnen weten. Ik had het moeten weten. Kunnen lezen aan je lichaam. Kunnen zien in je woorden. Ik mis je armen die me lieten vlammen. Vlammen louter voor jou. Traanvol verder.

Een afscheid verloren in de rijm van achterstallige poëzie. Zelfs dat niet.

Vroeger kon jij drie tafels tillen, ik slechts de tafel van drie tellen. Misschien was het toen al voorbestemd dat ik in theorie theoretisch beter zijn zou dan jij fysiek.

Ik laat je rustig inslapen, waar je ook moge zijn en wat je ook moge doen. Dan maar een nodeloos einde aan ons: een abrupte noodstop om nooit meer op gang te komen.

Maar roest schijn je weg te kunnen halen met cola. Wil je iets met me drinken?

Namen van vroeger

Ja. Ik weet het wel. Dus. Daar. Denk. Denk meer. Denk meer na. Denk nog meer na. Het ligt op een puntje, maar ook van mijn tong? Waarom komt het er dan niet uit?

Nou. Misschien dat ik er zo één-twee-drie(-vier-vijf-zes-zeven-acht-negen-tien-elf-twaalf-dertien-veertien-vijftien-zestien-zeventien-achttien-negentien-20-21-22-23-24-25-26-27-28-29-30-31-32-33-34-35-36-37-38-39-40-41-42-43-44-45-46-47-48-49-50-51-52-53-54-55-56-57-58-59-60-61-62-63-64-65-66-67-68-69-70-71-72-73-74-75-76-77-78-79-80-82-83-84-85-86-87-88-89-90-91-92-93-94-95-96-97-98-99-honderd) niet op komen kan.

Maar ik weet het. Écht. Alleen nu even niet. Om vier(-vijf-zes-zeven…) uur nog maar eens proberen.

Slaap zacht als de macht de oorlog heeft geslacht

Al is het niet dat dit Sparta is. Het is grappig dat we het zelf bedacht hebben en we ook de enigen zijn die het oplossen kunnen. In het dierenrijk schijnt het ook vaak oorlog te zijn, maar dat zijn beesten. Wij ook. Zeker omdat we ons, de Mens, als heerser van de wereld beschouwen. Al doen we erg ons best om onszelf weg te gooien, met de verdoemde klok op vijf minuten voor middernacht.

Vrede is een illusie zolang geloof meer mensen stukmaakt dan heelt.

Kijk dan eens naar me. Ik ben geen monster. En ik wil geen dodenmars als levende van je. Zeker niet van jóú. Het zijn vieze woorden geworden, maar ik blijf ze schrijven. Jij blijft ze rapen. Alsof eeuwig lang duurt als ik je voeten over het zand sleur. Ik draag je door te lopen, je hoofd hangt slechts op mijn schouders. Totdat we dansen in de zandbanken die langzaam ten onder gaan.

Maar maak je vooral geen zorgen, ik haat je met trots.

The war of language

“Prepare for battle!”, they shouted. These formerly unwritten words came to him as a sledgehammer blow. Neither did he speak any English nor has he ever planned on doing so. Although he didn’t know that at that moment in time, he tried writing the words down. But Googling ‘prieper for bettel’ afterwards didn’t get him any further than the wireless modem  at the end of his home computer. A white screen showing him anything but results.

“Thou canst only reach the final destiny by taking thine responsibilities.” The war continued to rage upon the soldiers and he felt left out again. He somehow did not realise that English would serve anywhere.

This parapraph is where the story ends. Because stupid soldier Simon died as a prick because he knew not what to do next.

Wachten

De trommels van de avond wachten weer in spanning tot het suprême moment. Hij kon niet zien of het laaghangende bewolking was of slechts mist. “Wanhoop niet”, schreeuwt ze zacht met de wind mee. Hij liep er al jaren naast. Al liepen ze recht door zee. Sporadisch springend door springtij. Hij riep al: “Knijp harder nog dan vasthouden!” Noordwesterstorm anno 2009. Duimende duimen over en in elkaar. “Ik wil je handen opladen.” Zand schuurt schavend onze benen droog.

Een reclamevliegtuig tussen wolk en mist leest: “Dit is precies wat jullie nodig hebben.”

Death is the price to pay for living

Slapen kan alleen als je moe bent. Maar ik de ochtend. De uilen van de nacht waren jouw bezit. Lachen dan en slechts dan als we samen de vlinders vingen overdag. Weekdieren, want ‘s weekends ben je altijd nog pleiten.

Ooit vraag je me misschien wat ik van je geleerd heb. Dat zal je nooit doen, maar ik wil zo graag dat. Eerst zou ik zwijgen. Vervolgens verhalen dat ik nooit meer niets vertel of het hart laat kletteren tegen een ander. Ten slotte zou ik heel blij kijken en doodgaan van de lach. Dan zou je me willen troosten, maar ik duw en duw en duw je weg.

In plaats van dat je een gore ‘rotwaarheid’ gewoon rauw op mijn dak had gestort.

Scaphella lamberti

Strand. Hoek van Holland. Twee weken geleden. Het was een slakkenhuis. Een fossiel. Uitgestorven.

Geen treinen. Geen wegen. Geen wapens. Geen oorlog. Geen elektriciteit. Geen satellieten. Geen geloof. Geen mensen.

Eigenlijk was er toen niets van alles wat we om ons heen hebben. Niets. En hoe meer ik erover denk hoe vreemder het besef, dat niets van alles wat ik zie als ik om me heen kijk er toen al was. Het maakt alles nietig.

2,6 miljoen jaar geleden.

Ontdekken

Misschien word ik wel heel gelukkig van straatstenen schrobben, ik zou het niet weten. Maar mag ik dat dan mijn leven lang doen en verkiezen boven het volgen van wetenschappelijk onderwijs en de daaropvolgende banen?

Ik wou dat ik meer wist dan dat ik nu weet, al was het maar om te weten dát je ergens terechtkomt, in plaats van onwetendheid. Ik zie het wel met vertrouwen tegemoet, al zou ik best graag weten waar ik vinden moet. Voor mezelf, en voor de verandering van het ditmaal wel weten.

Ik wil nieuwe woorden

We kennen volk en bevolking.
We kennen wolk en bewolking.

De nieuwste woorden van 2009 in een zin gebruikt:

Door de bedolking van de Nederlanders werd het minder veilig op straat.

De betolking op de internationale conferentie was erg slecht.

(Niet bestaande woorden gebruiken en niemand begrijpt het niet, hoop ik!)

Laat het geen duisternis zijn

Soms tussen ons, was het slonz-
ige stront. De gesprekken
van vernielde stof bedolven in-
onder luizige gebrekking. De-
regulering van salami met
je ananas. Dokter Oetker die
jou meer bevrediging gaf dan
wanneer ik zelf de keuken
ontvoer. Jij kon het ruiken
bovendien.

Spelen

een vuur vlammend
in wakker rood
brand hout op hout
en keer op keer

het is vooral
ze is niet meer
niet hier niet daar
niet nergens evenmin

een wereld verborgen
tussen afgekapte bomen
verbrand, vernield
niet levensvatbaar

kom je morgen bij me spelen?

(23 september 2008)

Sta je hier

Bezeten van onszelf. De lichamen, want zelfs die deelden we. Bezit bestond niet. Ons communisme, samen smaakloos voor meer dan alleen twee, dus effectief voor buitensporig polygamie.

Hoe kan ik dan oordeelloos vellen over jou na al die ‘dingen’. Je beweert dat je ogen dezelfde kleur zijn gebleven, maar het ging me juist om wat daarachter schuilgaat. Jouw herinneringen van meegemaakte dingen die ik nog niet ken. Sommige wil ik kennen, maar andere wil ik nooit in mijn wereld zien.

Maar om over overhaasten te spreken: zo werkt deze wereld niet. Ik verpruts het zoeken bovendien. Bij een zoekmachine wist ik tenminste welke termen ik gebruiken moest. Gelukkig werk je niet als een Pavlovhond, is het niet zo simpel. Hoewel, ik kwijl je toch wel onder.

Geld pinnen (2)

Ik weet eindelijk waarom sommige mensen (zo hard) werken. Waarom ze willen werken. Ze willen in staat zijn om geld te kunnen pinnen. Duhh. Dat ik daar niet eerder op kwam.

Werken ze omdat ze geld willen pinnen, of willen ze geld (kunnen) pinnen omdat ze werken?

Trefwoord samen

Synoniemen: bij elkaar, bijeen, eensgezind, gezamenlijk, met elkaar, saam, saampjes, samsam, tegelijk, tezamen, verzameld.

Maar geen van die woorden beschrijft eigenlijk hoe het werkelijk was… Misschien is woorden willen schrijven wel een beperking. Of ben ik juist te beperkt de juiste woorden te kunnen schrijven. Moet ik het niet willen. Maar ik zou jou weleens hebben willen zien durven blijven staan kijken, toen ik rond al die woorden voor je probeerde te zoeken en ook vond toen je terstond die rotmededeling in je mond nam, al was het ik met het korte lont die donkerblond vermomd een wond toestond. Zo joeg ik door de grond.

Ik wil vliegen met een heliumballon.

Geld pinnen

Ik snap niet hoe mensen geld kunnen pinnen. Ik heb nog nooit geld kunnen pinnen bij een pinautomaat. Het zijn altijd bedragen, zoals twintig of vijftig euro. Maar nooit geld. Ik weet het zeker: ik heb geld op mijn bankrekening staan maar ik kan geen ‘geld’ pinnen.

Het is een beetje de grap van Theo Maassen: naar een restaurant gaan en louter eten bestellen. En ik houd ervan. Iets wat in de maatschappij in detail wenselijk is zo algemeen mogelijk blijven houden. Ook al weet ik beter natuurlijk.

Slagvol bonkten ze het wreed aan gort.

Toch jammer dat ik na een schamele twintig jaar niet meer kan zeggen dat ik in mijn leven niets en niemand mishandeld heb.

Niet dat ik iemand mishandeld heb, integendeel. Wel dat ik een voorwerp zo slecht verzorg dat menig persoon zou kunnen stellen dat ik deze mishandel. Terecht overigens, maar ik kan zo weinig doen tegen het stationfietsenstallingvandalisme, behalve er niet parkeren. Het is maanden geleden nu. Helaas hebben alle dingen consequenties, zo moet ik er nog altijd voor worden terechtgesteld. Dan maar vandaag. Ik heb het even opgezocht:

‘Mishandeling van voorwerp uit luiheid.’
Artikel 2009, Lid 34387, Wetboek van Verloedering.
Straf: Desbetreffend voorwerp binnen tien jaar afschrijven.

Bij dezen. Ik dacht dat iedereen leerde dat je van andermans spullen af moest blijven. Misvatting ontelbaar mijnerzijds.

Uitgaan

Ik probeerde mij de hele avond te herinneren wie dat laatst tegen me gezegd had: mannen die uitgaan, wat ze ook doen, maken altijd neukbewegingen. Wie het ook tegen me gezegd mogen hebben: bedankt. Ik heb me kostelijk geamuseerd, want het klopt. Als je er dan op let is het dubbel zo grappig.

We hebben verschillende kroegen aangedaan. En dan opeens een hand in je rug die zo zorgvuldig geplaatst lijkt dat het je doet denken aan haar. Ik stond stil maar besefte me te laat dat ik niet naar achteren gekeken had want ik wilde stiekem weten welk gezicht het had. Niet dat zij het was of geweest had kunnen zijn, maar het waren geen stompende handen of ellebogen zoals die van altijd. Eerder een geplaatste beweging. Te lief voor de lalala.

Ik zal er niet over denken, maar het was zo “out of place” dat het me raakte.

De afstand

En als je dan met de ochtendzon ontwaakt. Spelen de merels met oud brood bij de vijver — ooit door ons samen aangelegd in de loutere hoop, welke hoop überhaupt? De herinnering is te lang geleden om nog een reëel beeld te kunnen vormen.

Is de perfectie koud? Of is het warm als een windloze brandende zon op je huid?

Zonder schrijven vergeet ik dit moment, nu in de trein, geheid — maar is dat erg?

Afpuffen

Soms bedenk ik graag een spel, maar dat de regels zich dan langzamerhand vormen in plaats van vooraf bekend worden gemaakt.

Waar stonden we dan? Als beter wetenden van de invuloefening van ons leven. We mogen alleen onafhankelijk van elkaar denken. Niet samen, want op samenzijn rust een verbod.

Maar de hitte van nu is toch lekker warmer dan wij ooit samen waren. Kom maar op met die schijn!

De regels van de straf

Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien. Ik mag niet met mijn potlood gooien.

De wereld aan je voeten

Ik heb ooit beloofd dat ik vandaag een blije post zou schrijven, want eerlijk toegegeven: meestal zijn ze wel gehuld in een mist van melancholie, al kan ik het vaker dan je denkt relativeren. Dit beloofde ik gisteren.

Wat ik denk is nu we in een vermeende economische crisis zitten, waar ik overigens nul van merk, dat mensen gelukkiger worden. Let trouwens wel op de argumentatie als je hierover leest. Ik val van mijn stoel als mensen schrijven: “er worden mensen ontslagen doordat de werkloosheid stijgt.” Dan verschiet men meteen al het kruid en wordt het niet snel ooit meer iets tussen mij en het medium waar ik het hoorde, las of zag.

Als mensen massaal zonder werk komen te zitten, dan hoop ik dat ze ergens de kleine dingen meer gaan waarderen. Dus geen steeds meer extremer doorgedraaid perfectionistische behoeftebevredigingen. Geen parapenten, BASE-jumpen, urban exploring of ramptoerisme meer. Maar gewoon een zonnestraal die men al lachen laat. Een stijging van het welzijn, en ook welvaart. Het lijkt me vooral grappig als ze dan moeten rapporteren dat het beter dan ooit gaat met ons, ondanks die crappy economie.

Ik ben bij tijd en wijle idealist en wat ik net heb beschreven is bovendien een volkomen cliché, dus luister vooral niet naar mij. Laten we vooral panisch doen en panisch blijven en niet genieten van het nu en altijd morgen laten (be)leven, daar schijnen we tenslotte het beste in te zijn.