They were actualities once

Did you forget already? We the people couldn’t stop reading about it. The media probably chopped another rainforest just to be able to write about it!

We (at least some of us) seemed to be haunted by a particular question two months ago: “why” he did it. It’s not that I don’t want to know, it’s just that it is an utterly useless question if you can’t ask the guy himself. I don’t think I have seen much comments on the greatness of his death, instead, everything was focused on “now we will never find out why he did it”, when as a matter of fact I think: finally, at least some sort of swifted justice. Because it’d be a pain in society’s pocket to jail him for some lame-ass kind of eternity.

Every day thousands of things happen and they happen because people do inexplicable things. Whatever it is, it never really differ from everyday sadness and injustice now, does it? Knowing why doesn’t change anything about it. What has been done has been done and can, before we invent time travel, not be undone.

Als ik eens wist

Maakt het uit wat ik doe? Heb ik invloed? Verander ik dingen? Laat ik iets na, iets achter? Heeft dit schrijven zin? Doe ik recht aan mezelf als ik schrijf? Is de twijfel over alles wat bestaat goed?

Ik geloof best dat wat ik doe goed is, anders deed ik het niet. Als ik het inspiratieloze bagger vond schreef ik het ook niet. Maar het punt is of het echt zin heeft. Wat is het hoogst haalbare? Moet ik naar meer streven? Maar als ik dat dan niet haal, word ik dan ongelukkig? Of kan je ook gelukkig zijn als je bij lange na je doelen niet gehaald hebt, maar ze in ieder geval nagestreefd hebt, want dat is nog altijd beter dan helemaal geen doelen toch?

Jij zal jij blijven

“Nee jij ziet er lekker uit met je dikke kop.”

Goh. Weet je. Ik bedoel maar. Enzo. Ofzo. Zoiets misschien. Jij, jij doet alsof je de wéreld kent. Ooit had ik je hóóg in het vaandel, wist je dat? Toch reken ik de mensheid en jou wel af op hun acties. Als ze roepen van A moeten ze niet B doen of pogen C te spreken. Daarom ben ik je gaan haten.

Zo bestempel ik je leven waarvan je dacht dat het vooruit ging binnen luttele zinnen tot niet eens stilstand maar een achteruitgang: een verborgen opening in je ziel waar je nooit van geweten hebt. Wil je dan immer beperkt geluk kennen, dan ga je dat vooral zo houden. Maar trek je dan ook niets van mij aan. Je zou ‘t toch niet passen.

Ik moedig het af maar je begrijpt het als aan want ik ben altijd minder goed in het dingen uitdoen; uitspreken voor jou want je gebreipt me niet. Ik dacht vroeger dat mensen alleen iets konden uitpraten als ze een relatie hadden en zo was de hele wereld bezet. Niet dat dat nu nog uitmaakt. Ben ik het nu dan met die uitgesproken mening?

Dode lijn

Ik haat stress. Ik snap dat dingen op een bepaald moment af moeten zijn. Maar het is altijd een vervelend moment. Nooit een moment waarop het mij uitkomt. Als het even uitkomt, dan probeer ik ook al tijdig voor de deadline alles klaar en afgerond te hebben, maar meestal zit dat er als luie student zijnde toch niet in.

Zoveel als ik een dode lijn haat, zo druk ben ik op zoek naar een rode lijn. Tsjee, soms weet ik echt even niet meer waar het over gaat. Waar het voor is. Kijk, ik snap best een beetje hoe het leven in elkaar steekt. Je studeert, doet er dingen naast. En een keer studeer je af en ga je lekker werken. En uiteindelijk ben je ook daarmee klaar. Het klinkt allemaal zo verveeld op de een of andere manier. Het is zo verrekte moeilijk om je leven naar je zinnen in te delen als je niet echt weet welke richting je op wilt. In dit opzicht kan ik de ‘zinnen’ inderdaad niet schrijven.

Roem

Als je een bekend figuur bent, dan kun je alles maken. Want er zijn gestoorden die twentyfour-seven aan je lippen hangen. Zelfs als de kunst die deze persoon maakt al jaren dezelfde is. Er ligt dan een soort heiligverklaring, doe maar iets we vinden het toch wel goed. Terwijl ik juist denk, nee, het is niet goed. Je bent een beperkt persoon met je zevendehands grappen of vierentwintigstehands noten uit je instrument.

Dat je het even weet.

Misschien gaat hetzelfde wel op voor ‘populariteit’. Als je altijd freaking geweldig bent en gans aantrekkelijk, heb je natuurlijk nooit aan jezelf getwijfeld en ben je lekker beperkt in je eigen wereld gebleven. Je woorden uit stoerheid; nooit waar, maar altijd gelogen. Niet dat ik er wakker van lig, ik weet heus wel naar wie ik moet luisteren en naar wie niet. In tegenstelling tot jou.

En dan is dit het moment waarop ik je uitlach.

Herinschrijven

Ik wil niet. Ik wil niet. Ik wil denken. Ik wil iets zinnigers doen. Ik wil geen “informatie en communicatie technologie” meer, maar iets van filosofie, ethiek, ontstaan, anything dat me wel echt weet te boeien.

Nog één jaar. Bij voorkeur wil ik weer gemotiveerd zijn. Laat het iets zijn waardoor ik dít nog wil. Het papiertje achteraf schijnt belangrijk te zijn. Maar wat wil ik later worden dan?

Introspectie

Want wat waren we slecht in topografie. Zo slecht dat we geen afstand meer voor elkaar over hadden. Geen nachtelijke escapades meer door het centrum van Nederland, het nachtnet van Utrecht waar onze wegen samen definitief ophielden. Of anders de eerste treinen met liefdevolle wallen onder de oogjes. Al waren ze nooit te moe om naar je te kijken.

Als jouw trein dan omhoog ging en boven de rivieren bleef, de mijne zich liet afzakken naar het ‘keigezellige’ Brabant. Dat we de halve reis belden, omdat het kon. Omdat genoeg niet goed genoeg was. Naar mate we ons verder weg van elkaar begaven, werd het signaal slechter. Je stem begon te kraken, vooral door afgezwakte genegenheid, opdat we wisten elkaar lang niet te zullen zien. Totdat een van ons definitief sliep die nacht.

Weet je? Ik dacht altijd dat het een soort van onvoorwaardelijk was. Ik reisde met plezier urenlang half Nederland voor je door, om je even succes te wensen met wat je dan ook ging doen. Je even te zien spreken, een hand op je schouder. Voor jou was die tijd te kostbaar om te verliezen of zoiets. Ik dacht eerst dat je simpel druk was, maar je kon gewoon geen prioriteiten stellen, het niet voor me over had. Ten slotte een ontdekking op heterdaad, ik kwam onverwacht maar werd dat zelf.

En nu is het jaren later. Je denkt te kunnen oordelen plus dat je me kent, maar je kent me niet, sowieso minimaal niet meer. Maar zolang jij je onwetendheid als kracht ziet en niet als zwakte, weet ik dat ik toch niet van je houden kan, dus is het probleem opgelost. Tótdat ik je op een dag. Weer zie en spreek. Dan kan alles over.

Zero-ring policy

je bent verloren
omdat je niet weet
niet bewust

omdat je gaat
heen, weer en terug

omdat dat zo hoort
in wat zomer heet

vlieg vlieg vlinder
opdat ik niet vergeten zal

(16 juli 2007)

Leugens

dan doen we toch net
spelen we dat
om bestwil alleen

een schommel aan het park
een bankje op de regen
een loopje met de zon
twee zoenen bij je mond

driemaal samen driemaal daten driemaal niemals nooit meer weer
waar je bent wat je doet
hoe je kijkt ook hoe je moet
hoe je staart en hoe je voet
wie je bent geworden, is het goed?

alleen de waarheid weet.

Alsof je mijn kleren past.

Koel, maar gedachteloos. Cool, edoch hopeloos. Want als je hoop loos is, waarheen valt er dan te reizen?

Wellicht is het enige waar ik dan echt goed in ben een overkill aan woorden. Maar zolang die woorden wel van mezelf zijn, ik ze niet te delen hoef met jou. Je kan vinden dat ik veel over je schrijf, je kan ook gewoon stellen dat ik lage eisen aan mijn teksten stel.

Als mijn beperking dan jouw kracht is, misschien moeten we dan maar helemaal niet. Ik schrijf herhalingen, een derde helft. Een nabeschouwing waar niemand meer naar kijkt. Met honderd keer dezelfde woorden, van misschien en wellicht. Soms, nooit, altijd. Sporadisch eens iets anders.

Ik wil schrijven ‘woordenschat’ maar toch ook niet als ik merk dat jij daar impliciet in geschreven staat. Ik wou schrijven ‘woordenschat’ en heb dat gedaan om uit te leggen waarom ik het niet gebruiken wil. Een paradox van mengelmoes vergezeld door merknamen.

Nu is iedereen weg. Wat ooit dichtbij(,) is verder weg komen te staan.

Tot je me later haten zal.

Ik bekeek de iPod. Jij schreef niet zelden weer een blok kladpapier vol. Met schrijfsels van afgeleerde gebruiksaanwijzingen. Dansende mensen in overhelder klaarwit, nachtlichtlampen om van te houden. Ik kon nooit binnen de lijntjes tekenen. De componenten van waar we uit bestaan. Een geest, een ziel. Een lichaam bovendien. Kon ik het maar nog eens componeren. De valsheid uit ons verleden wegschrapen. Zou je wat doen?

Dezelfde fouten in dezelfde strijden die niet gestreden meer kunnen worden. Daarentegen slechts onbevangen in minieme spot tijdens ons laatste gezicht.

Er was geen catastrofe of ontknoping. Ik heb de afwikkeling tussen ons niet meegemaakt. Vervolgens komt het epiloog. Een onbeschreven epiloog, slechts begrepen door een gezichtsuitdrukking die geen woorden kent. Zelfs geen gebaar voor de doven. Zit ik dan nog vast in de stemmingsuitleiding? Omdat ik geen idee heb wat er gebeurd is.

Ultiem

“Hoor je dat?”
“Wat?”
“Niets. Het is hier zelfs windstil.”

Zij

Alsof ze míj kennen, maar ze weten niet, niemand evenmin. Toch denken ze te kunnen willen oordelen. Natuurlijk ook ik. Ik kan fleuren dat het me na al die tijd nog steeds niets doet. Maar ik zou dan niet bezig zijn met het spreken van die waarheid.

Het strand heeft geen antwoordenlink maar is wel ontspannend als je dat nodig hebt. Ik ga door het water. Vetrek maar weet niet waarheen.

Want “nog even” kan niet meer. ‘t Is voorbij. Borsato zong ooit, samen met Do: “het is wel over, maar nog niet voorbij.” Wat dat betreft heeft meneer van der Boom, een door het publiek beschouwt als ‘topper’, het een stuk pessimistischer getroffen met: “het is over, het is over en voorbij.”

Nog eens omhelzen, één keer spelen — ik wou dat het kon ook buiten de wereld van dromen. Bløf is goed. Maar “laten we dansen, liefste” gaat nu eenmaal niet op als zij je niet meer als liefste beschouwt. Ik probeer te verklaren.

Ik ben ik en de wereld zal nooit meer hetzelfde zijn.

Zinvol- of zinloosheid?

“Want we leven misschien maar zevenhonderdduizend uur.”

— Vuur, Stef Bos.

Alsof het weinig is. Ik was namelijk de hele tijd in de veronderstelling dat ‘het leven’ het langst van alles duurde. Want niets wat ik zelf meemaak, zal langer dan mijn leven duren.

Beter moeten weten

Hoi ♥,

Daar stonden we dan. Ik met mijn voetjes in het water. Jij druk met je telefoon, een SMS die woorden wilde geven aan dat wat niet kon. Ogenschijnlijk dacht ik aan hoe we over een uur thuis voor de open haard zouden zitten, met een kop warme Nesquik en wokkels in je buik. Maar jij verliet het huis voor nog niet eens de spaarlampen. Alsof ik er iets aan kon doen dat het glas niet gebroken maar dubbel was.

Je koelt in een subtropisch zwemparadijs, de grootste onzin. Je badpak gleed van de baan. Jij zat erin. Het scheen niet door want dat was onkuis geweest jegens medebadgebruikers. Ik scheen het wel door te hebben, later op de fiets terug naar daar waar we op intellectueel niveau samen zouden komen en praten over wat geluk nu eigenlijk is: een thuis dat van geen van ons beiden was, maar van onze makers blijven zou. Totdat ook zij beseffen dat het zo niet langer kan.

Je nam het voortouw, de beslissing. Het was dubbelglashelder dat dat eraan zat te komen. Toch kwam het onverwacht, omdat men nu eenmaal niet alles verwachten kan binnen dat wat wij van ons maakten. We waakten samen over de eendjes in het park. Lazen ze gedichtjes voor, een bundel van de Selexyz was in de aanbieding. Ik die jou niet begreep, zoals dat vaak omschreven, vooralsnog goddank slechts louter achteraf. Soms leek het alsof je de dingen des levens van tevoren al wist. Vervreemd greep je in.

Je was aangeraakt geweest. Of geworden want natuurlijk kost ook betasten tijd. Hoe kon jij nu weten wat je met me deed toen je zei: “ja ik weet.” Hoe kan ik niet omgaan met tijd en het haten bovendien, als alles wat ik zeker weten heb tijd is. Nu vergeten we samen de strijd van het onbestaande. Niet dat het goed komen kan nu het duidelijk is dat jij slechts een illusie was. En alle mannen deed. Ons lachen samen was zo best wel waardeloos geworden. Klaarblijkelijk meedogenloos inwisselbaar voor jou. Onmiskenbaar onbetaalbaar aan die andere kant van de lijn die nu gebroken en verminkt is. Niet geworden, want stukmaken kost geen tijd.

Groetjes,
J.

Tijd

de klok schreeuwt zacht om aandacht
ze kijkt stil op haar horloge

Onhelder

Is eenzaamheid een leerproces? Ik weet dat altijd niet bestaat. Toch spreken we het iedere dag weer opnieuw. Niet eens wetende wat we zeggen!

Ik wil geen nuances meer. Geen bijwoorden of bijzinnen. Streef ik dan alleen de kern van het bestaan na? Ik zoek een waarheid. Maar of ik nu links rechts boven onder achter of recht voor me uit staar, ik zie alleen leugens:

Omdat mensen niet begrijpen, Omdat het mensen niet interesseert. Omdat mensen niets meer zeggen. Omdat mensen niet meer inspireren. Omdat mensen vermoeiend zijn. Wat moet ík dan?

Er staat bij mij een boek in de kast. Dit boek heeft de titel ‘Helder Rapporteren’. Er staat niets bijzonders in. Het gaat meer over officiële teksten. Want wat ik schrijf kan veel betekenen, maar nooit is het helder. In tegenstelling tot wat Bløf beweert als ze zingen soms.

Ik zet je koptelefoon af. Vervolgens breng ik mijn mond heel langzaam naar je oor toe. Als ik er bijna ben leg ik mijn handen op je schouders, in je nek, om vervolgens te schreeuwen dat ik je liefheb, dat ik van je houd. Maakt liefde dan ook doof?

Ex Aequo

Ik noem je excellent. Exceptioneel evenzo. Als extraatje is er geen excuus je niet expres excentriek te noemen.

Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Je rent. Ik ren mee. Ik ren mee. Ik ren mee. Ik ren mee. Ik ren meer. Ik probeer uit alle macht mee te rennen. Ik raak achter. Ik raak achter. Ik raak achter. Ik raak verder achter. En verder achter. En verder. Uiteindelijk uit zicht verdwenen. Geen conditie die jou bijhouden kan. Maar ben jij het die eerder begon met dat afgestompte rennen, of ben ik het zelf?

Als we naar hetzelfde rennen, dan rennen we in ieder geval niet naar elkaar.

Dikke droomwoorden

Met stuiterballen en stokken. Op waterverf door de grachten van die historische stad. Hè schat?

Misschien ben ik het schatten zat. Wil ik alleen nog maar die droge spritsen van de Euroshopper. Alsof ik wél weet wie ik bellen moet. Toch staat je telefoon vol met plusminus honderd nummers. Van verloren buren of verre vrienden. Van dronken onbekenden en vergeten klasgenoten. Pfft. Het schijnt handig. Je hele leven in je hand of aan je oor. Ik vind het steeds nog tweedehands, ben er na al die jaren dat ik er ook één heb nog steeds onbekend mee, volkomen terecht.

Snap dan dat ik zonder handen met je praten wil. Nee, niet het kopen van een handsfree set, dommeling.

Ik zoek een beker met je naam erop. Ik zwaai met een toorts je naam. Maar de sluitertijd was te kort om al je letters vast te leggen.

De Nietigen

Ik wil. Met haar. Op een boot. De wereld rond.

Op een veel te blauw strand veel te foute cocktails onder een veel te kleurrijke parasol in veel te heet zand, haar rug insmeren; zwemmen als geen ander.

Er is een bos waar we doorheen lopen. We hebben het over alles. We hebben het over niets. Ik zie, ik zie wat jij niet ziet. Ik zie, ik zie dingen die ik zonder jou niet zie. En jij niet zonder mij. Daarom is het waar.

Ten slotte zijn we slechts reizigers die proberen iets te maken, maar zij en ik, we weten niet wat.

Perzik voor diner

Ik waan me de weg, langs ezels die zich tenminste niet aan dezelfde steen een tweede maal weten te stoten. Passeer grazende nietszeggende koeien. Mag ik je nog ontdekken? De draaideur is kapot.

Mijn lampen één voor één. En dan zijn de winkels dicht. Patsboem. Ik misbruik de puntenslijper om een stukje boom weer korter te maken. Nu kan ik in ieder geval weer potloden. Grijs op wit. Half onleesbaar. Maandenlang.

Ik zorg wel voor het gras. Ga maar nu. Het is goed.

Altijd tijd

stenen druppels breken water
ouder nog dan bomen
voeren stromen
beekjes net als vroeger nu het later

je knipoogt naar mijn horloge
wetende dat ik het breken zal
maar de tijdloosheid vernielt al
zo verdwijnt ‘ons’ in een doosje

Zeg (n)ooit nooit.

Heeft hij je vernield? Kom je nu uithuilen hier? Strevende naar iets wat ik je niet méér wil geven?

Je kan wel willen dat ik er voor je ben. Maar waar was je zelf dan toen ik je nodig had,
jij met je lover aan het strandbad
zat.

Stiekem doe ik al dat wat ik hierboven niet naar je toezong toch. Omdat je slim bent. Omdat je mooi bent. En ik je die zevenhonderdvijfentachtigste kans toch geven wil.

Je begrijpt het niet. Ik wíl niet alleen.

Mensen willen alleen maar macht omdat onmacht onverdraagbaar is. Middelmatige hamsterweken overheersen de hangkracht van mijn plafond. Kan ik haar dan zomaar laten gaan?

Je snapt het niet. ik wíl niet alleen.

Hoe jouw gouden handen over mijn wangen streelden. Je bruine ogen in mijn blauwe, samen pratende over een wereld die we zouden veroveren. Maar je verorberde in plaats van veroverde, en ik versoberde. Mijn hart en de jouwe, respectievelijk of juist omgekeerd alfabetisch lexicografisch. Niet dat het er toe doet in een lijst van twee. En in een waas van rood maakt dat ook niet uit.

Ik heb niets te willen. Maar waarom blijft mijn gevoel dan ooit door het nooit van mijn verstand heen roepen?

Tien jaar terug

Je zou nog niet bedolven zijn in de klassenstrijd van middelbaar. Ergens bij willen horen, hoewel onwaar. Je droeg nog prachtig. Onopgemaakt. Ongeverfd. Onbeschreven.

Ik was laatst aan het hardlopen en er rende een mevrouwtje zo maar een stukje met me mee.

Je had geen mobiele telefoon. Was nog geen internetverslaafde. Geen godvergeten Wikipedia. Nauwelijks nog Google. Geen troep op sociale networkingsites, wat afdoet aan wie je bent, nu honderden je leven meebeleven. Geen Twitter voor iedere scheet die je laat. De menigte wist nog niet waar je liep, zo zonder GPS.

Ik was laatst aan het hardlopen en een vrouw op een scootertje riep me na: “Kijk uit! Niet vallen! Pas op!”

We vertrouwden elkaar nog. Maar nu vertrouwen we niets en niemand meer. Een inbreuk op geloof. Want je móét de hele dag SMS’en MMS’en WAP’en bellen faxen skypen mailen. Maar we zien elkaar over een halfuurtje? Je zegt: “Dat is leuk.” Je vraagt aan me: “Wat doe je? Waar ben je?” Ik schrijf liever brieven.

Ik was laatst aan het hardlopen en twee kinders kwamen met de geweldige vraag: “Ben jij aan het hardlopen?” Ik antwoordde vriendelijk van ja en liep door. Wat ik had moeten zeggen is nee, zo loop ik normaal ook.

 
Ik kan je met twee armen omhelzen.
Mijn oprechte excuses, dat dat niet genoeg voor je was.

Natuurlijk

zij, in hoogmoed geprezen
lopende door kil kwaad gras

opgemaakt tot in den treure
doelloos anoniem gelogen schoonheid

lieve Make-up
waar ga je met het meisje heen?

(24 oktober 2007)

Tevreden of gelukkig?

We schrijven, benadrukken de vergankelijkheid ons bestaan. Kijken om ons heen, zien een wakende klok de maatschappij verloederen naar louter hedonisme. Toch leren we iedere dag weer bij, maar in welk teken? Het streven naar alles wat we niet hebben. Omdat ons eigen gras nooit perfect is, of ooit toch? Tevredenheid als voorloper van geluk.

Sta bij een bushalte nabij een kruising. Zie auto’s remmen en weer wegrijden. De onmogelijke verwondering over het ontstaan en de balans in de maatschappij. De fragiele details van onwetendheid fleuren door ogen. Zijn we niet allemaal escapisten van wat er werkelijk gaande is rondom ons?

Wil de slechte eigenschappen verdringen naar het hoekje van mijn karakter. Maar verbergen is o zo moeilijk als ze dan eenmaal voor je staat. Dat kan nooit toneel gespeeld worden. En toch proberen jij en ik het weer, iedere keer nog maal meer.

De afleiding blijft niet zelden continu onvolwaardig.

Was The Big Lebowski slechts tevreden of daadwerkelijk gelukkig met zijn leven?

Kunstzinnige ongelukkigheid

Als je dat ene stukje kunst niet kennen zou, was je dan ongelukkiger geweest? Waarschijnlijk niet, want wat je niet kent kan je ook niet missen. De beste reden om iets nooit te doen, ook de beste reden om je leven lang beperkt te blijven.

Maar als je een stukje kunst niet zou kennen en het zou niets aan je gemoedstoestand veranderen, zou dat tweede stukje kunst dan ook niet uitmaken? En de derde? Enzovoort. Doorgetrokken: zou je nog gelukkig kunnen zijn als je geen kunst zou kennen? Aan de ene kant weet je niet wat je mist, aan de andere kant ben jij jij, juist doordat je dat allemaal kent — je leven is waarschijnlijk überhaupt onvoorstelbaar omdat je al zo enorm lang doodgegooid wordt met allerlei kunst. Het antwoord is dus nee.

Het suggereert dat hoe minder stukjes kunst je kent, hoe ongelukkiger je worden zal. Maar dan moet er een omslagpunt zijn. Dat je na het wegnemen van een bepaalde hoeveelheid stukjes kunst niet meer gelukkig bent, hoewel je niet weet wat je mist en het dus ook nooit zal weten.

Wat is waarheid als het verschil tussen kennen en niet-kennen zo enorm klein is?

You won’t be loved

I suddenly realised why people do what they do. Because it doesn’t matter what they do. Is being smart a state of disability? Am I ought to do something for real? Who says so? And why?

You can live your whole life not doing a damn thing, not taking any risks, never letting anyone down. And then what? You’ll die some day thinking you did the right thing, only to find out (or not, depending on your point of view) that there is no heaven. That all there is or was, was your silly little physical life on Earth.

It sometimes feels like as if a bomb landed in my backyard. For the past few weeks, months (?), it may even be years, I’ve tried to come up with a solution for disarming it. I can’t bury it. I don’t want to call bomb squad either. Do I rather call friends to help me then? But whom? And can they even help me disarm or move it? Or is being truly relaxed a movement meant only for the Idiocracy of our society?

I sometimes think about leaving it there and waiting. Some of these things will certainly fade away when time passes. But in the end, nobody can clean up mý mess.

Vlugge Japie

Men kan zich richten op alles. De mogelijkheden van alledag zijn onbegrensd. Toch zijn we wie we zijn en doe ik net als de meesten iedere dag toch weer dingen met tegenzin. Sommige dingen zijn noodzakelijk om te doen. Veel niet. Waar is de basis?

Ik heb vaak het gevoel dat ik naar de andere kant kijk. De andere kant van het glas is vaak mooier. Omdat die kant nou eenmaal vaker wordt schoongemaakt. Maar maakt dat de binnenkant van wie we zijn minder mooi? Ik denk van niet, maar ik ben niet onbevooroordeeld. Ook nog niet véroordeeld, maar dat komt nog wel een dag. We zullen het niet overhaasten.

Maar deden dat toch.

Je bent wie je bent en zo is het goed. Maar als je net wat anders geweest zou zijn, hoe liepen we dan? Ik weet dat het aanschouwend zinvolloos is me dat af te vragen. Toch blijven de gedachten die absoluut niet van weleer meer zijn door mijn hoofd dwalen. Ze zwerven rond en ik ben slecht in meenemen.