Zie maar wat je ermee doet


Wie wil meezingen voor de waarheid? In de verte spreken stemmen, ze ruiken naar perzik. Ik schrijf op donker A4, dat het me geen donder schelen kan.
Je bent uit het zicht. Vliegt langzaam weg uit mijn gedachten. Ik heb die touwtjes die die vlieger me vasthielden, losgelaten. Je uitzwaaien zou ongepast zijn. Een klein knikje dan. Een glimlach, eentje die zelfs jij uit een menigte van Pinkpop herkennen zou, omdat je hem zo vaak gezien hebt. Had kunnen zien tenminste. Maar je kijkt niet. Waarom zou je?
Waar kwam jij vandaan? En waar ga je nu heen? Ik mis je. Soms liggen mijn ingewanden nog altijd verspreid overreden over straat, zodat mijn buik alleen jouw hart bevat. Ik mis je.

Maar ik woej de andere kant.
Ik doe lachend janken. Ik moet rustig blijven. Ik ga naar haar in gedachten. Ik weet mezelf niet meer. Ik ken slechts zinnen die niet waar zijn. Ik kan best overleven, natuurlijk. Ik loop. Ik dwaal. Ik fiets, soms. Ik ren nog vaker. Ik vraag me af waarom, waarheen. Ik praat, geen flauw idee waarover. Ik onderzoek onzin, uiteraard. Ik wil iets, maar wat weet ik niet. Ik kan mezelf niet eens helpen.
Laat staan jou gelukkig maken. Ik verdien genoeg. Maar jou niet.
Drie hoeraatjes voor rücksichtslos materialisme?
Ik geef je een rood gestreepte stok voor je verjaardag, want klaarblijkelijk ben je blind.
En ieder woord met ‘houden van’ zou een understatement zijn.
Ik wil schreeuwen dat het klopt. Maar het is alleen míjn hart.
Waarom voelt het alsof iemand het lichtknopje heeft uitgedaan terwijl het nooit is aan geweest?
Wij.
Wij praten.
Wij konden praten.
Hoe wij konden praten.
Hoe wij samen konden praten.
God, hoe wíj samen konden praten.
Ik wou dat het nooit meer wegging.
Ik wou dat het nooit wegging.
Ik wou dat het wegging.
Ik wou het weg.
Ik wou weg.
Ik wou.
Ik.
Moet je lachen of huilen? Ik troost je met beide handen, ben op zoek naar een juiste positie om je in vast te houden, maar die is er niet. Ik droom verder maar zijn mijn onmogelijkheden niet jouw angsten van wie of wat ik ben?
“Beste student,
Hierbij ontvang je je Studenten OV-chipkaart. Daarmee ben je voorbereid op de toekomst!”
Dat is dan het enige wat ik heb om mee voorbereid te zijn op die ‘toekomst’. Verder ben ik leeg. Gemaakt, geraakt of wellicht altijd al geweest.
Ik droomde dingen. Dingen die ik wel wil dromen maar onwenselijk zijn. Het is ook niet dat ik er controle over heb. Maar je wordt wakker een keer. Het beseffen dat het een droom was. De bezitter van een ongeldig geworden legitimatiebewijs. Al langer nog dan dat ik je ken.
als het strandzand mijn lichaam bedekt
doe ik alsof jij korrels bent, zodoende
mijn bodywarmer voor de verwaande wind
koel ga ik ten slotte onder
langzaam overspoelende
als ik je ooit weer zie
hoe ga ik je dan begroeten?
Last Friday I was sitting in the train to Arnhem when suddenly the lights, the airconditioning and the engine of the train were shut down. Besides some people talking to their friends, for real or on the phone, it was completely silent. The train kept rolling seemingly not losing any speed. After a couple of minutes, everything went back to normal, and the conductor told us via the intercom that the overhead lines didn’t work and that it had to be fixed first before any other trains after us could drive through. I somehow keep liking this chaos when things do not go as how they are supposed to.
Fifteen minutes later than planned I had the pleasure of meeting a fellow weblogger for the first time in person. She saw me before I saw her and I almost walked past her (sorry!) — she was beautiful in her blue coat, and we laughed *a lot*. We named it The Day of the Corny Comments, or something strongly resembling that. We talked about incapabilities of people, reference points (without it you can’t make any statement) and I actually ate for the first time a delicious vegetarian meal.
Yesterday Albert died. I already wrote a while back about him being old and in his last years, and yesterday while travelling in the train from Arnhem I needed to write some cool things down, he turned 100 and died. (In a way, I killed him.)
Albert was bought in the Bruna in September 2008 and has been with me (almost!) every day when I wore my jacket. He will always be remembered as an exceptional man, always there for me when I had an absurdistic idea. He was the stand-in for my digital agenda whenever I didn’t bring that with me. Around his 50th birthday, the half of what he could become, he suffered from amnesia. Most of those lost years for him are kept safely in a drawer in my room in Eindhoven, but he can’t remember them on his own. I tore the pages out myself, because otherwise he would have died even earlier because of obesity.
He will not be burned or cremated. Instead, he will be conserved at room temperature in some safe place, which can be called heaven for him. He fulfilled his life with raw words. Sometimes describing the most beautiful emotions there are, sometimes seemingly having the whole world against him. His last words:
“Yet we all seem to live this lie so perfectly well. Pathetic. Happiness is an illusion of the mind. A trick, a mindfuck. We don’t exist, nothing exists. It can end every moment.
Mijn zelfverzonnen ontevredenheid?”
(Albert was my one hundred pages A7-format notebook.)
Je mompelt iets in gedachten, en ik
hoor niet wat je zegt, je fluistert
het naar een ander, levensecht onverstoorbaar
zit ik hier een boterham te eten, omwille
van privacy ga ik het beleg je niet geven.
Ik slaak te zwak een kreet uit wanhoop door
de gang, bang voor de veroordeling van de an-
der want o zij zweren zo prachtig foutloos terwijl
ze in mijn wereld zó fout en loos zijn.
Laat me. Ik ben toch al verdwaald en jij hebt
de kracht niet meer me in te halen nu we hebben
wat we hebben en zijn wie we zijn.
Ooit had ik. Maar toen de voorwerpen stuk-
geslagen op de grond lagen, wist ik al:
is ‘doorgaan’ dan een begrip alleen voor de sterken?
Ik heb gezwommen door de zee van mijn ziel.
Het beviel me niet. ’t Water te heet of te koud. Benau-
wend evenzo. Ik was er ooit aan het wandelen en
deed prachtige vondsten. Maar niet alleen. Godver,
hoe vind ik iemand die net als jou zoeken kan?
Ik ben zo respectvolloos, dat ik niet meer weet wat
ik tegen je zeggen moet. Jij was het, slet.
Houd op Jaap. Houd op met het proberen overwinnen van dingen die geen strijd kennen. En mag ik je dan ongepast uitnodigen om te dansen met me, ook al gaat dat nog zo moeizaam? Misschien is dit precies wat missen is, maar dat is dan tenminste iets waar ik wél zeker van ben…
Als ik in de spiegel kijk, lijk ik telkens weer een lijk. Je zet m’n hart in vuur & vlam, ik weet niet zeker of dit beter kan. Ik schreeuw uit wanhoop dat je lelijk bent, maar het is jíj die me als geen ander kent. En als je nou eens lelijk was, misschien vergat ik dan de woorden die ik van je las. Maar je bent het niet. Je lichaam niet. Je geest niet. Misschien als je wel lelijk was, dat ik je dan zowaar vergeten kon, de volgende keer dat ik zonder je zon.
Ik voel me hier vaak onbegrepen. Overgrepen door het leven. Maar met jou voel ik mij mij. Woel ik niet meer met het twijfelloos zijn.
Als men van zelfmedelijden verbranden kon. Niet meer alle hens aan dek maar het bedekken van al die dingen in de hens.
Soms heel soms wens ik even dat ik je nooit had leren kennen. Dan wist ik tenminste niet hoe leuk ze konden zijn. Daarna besef ik me hoe ik je voor geen goud zou willen missen.
yet what is time
will it ever change
what we have or
have done
shall we live happily for a lifetime
or kill ourselves forever
trying to be perfect
(Gedicht geschreven op 7 maart 2007)
…praat ik stilletjes in mezelf. Waarom ik mezelf vaak nog dommer vinden kan dan de gemiddelde [CENSUUR]. Van sommige dingen schijn ik maar niet te kunnen leren hoe ze werken of waarom ze dat de eerste twintig jaar bij lange na niet gedaan hebben. Ieder ander wel, ge-fucking-weldig. Chapeau Jaap. Op het geslaagde leven waarin je zoveel bereikt, zit ik hier in een uithoekje van het Internet te mijmeren op al dat wat niet gebeurd is.
Existentialisme is een illusie: “Happiness only real when shared.”
Alleen is er niemand om het mee te delen. Niet in dat wat we echt noemen tenminste. Ik weet geen waarom. “What if it all was phoney?”
Hoeveel films kan ik nog kijken? Hoeveel liederen beluisteren? Waar ter wereld zal ik nog gaan? Hoe kan ik kiezen wat ik nodig heb als ik toch wel overleef? Hoeveel veters ga ik nog strikken? Hoeveel SMS’jes zou ik sturen om mijn leven achteraf samen te vatten? Hoeveel minuten word ik nog gebeld? En hoeveel zinnen zeg ik dan terug? Hoeveel secondes kijk ik haar recht in de ogen? En wat doet dat dan met mij? Hoeveel uur zal ik nog slapen en hoeveel uur zou ik moeten slapen terwijl ik lig te waken? Hoeveel zal ik strijken? Hoeveel liter water heb ik nog te drinken?
Het meeste van alle vragen blijft hoeveel aanslagen ik nog zal maken. (Op het toetsenbord welteverstaan.)
The day before yesterday will always be remembered as the dilemma of the office chair and the going round about the roundabout. Why?
I was doing an assignment and ate a banana. The nearest garbage can was over twenty metres away. I didn’t know whether I could roll, remaining seated, towards the basket and back, since this would certainly draw attention and it might be inappropriate to do such a thing at a university. I ended up doing it, ’cause nobody cares. It felt damn good. The roundabout is another story: I just felt cycling it two times, never ever did that before. I loved it. That’s it.
Yesterday will always be remembered as the day I met the writers. and the day I send the funniest package to a very cool girl — she is not going to like it. At least it will help her get some things set straight which she clearly can’t recall in detail when questioned about it. (She can’t stand not knowing, so that’s why I am not telling what it is exactly.)
Yesterday is the day Albert, some nine months old now, met with the newly born (correct me if I am wrong about that) Saskia, Johan and Lot. It’s funny, the tallest guy having the smallest notebook. Since Albert has only a few years left to live (and those years can pass him by way faster than the years as we know it), he will die very very soon, I’ll let you know about it. The good thing is that I never travel without him, which is the bad news as well: if I weren’t to travel with him, he’d still be in his childhood. And with what do I replace him after he’s gone?
Today I don’t know yet. What is about to happen, who I will meet and/or not meet. (We can never answer that last question! How fascinating is that!)
Want ik heb een gebrek aan modeverstand.
En dan maak jij me toch een beetje jou.
Toch is het mooi hoe de liefde waakt.
En me keer op keer schaakmat schaakt.
Van het atoom tot aan de planeet. Ik loop naar het station. Er lopen mensen langs me heen. Allemaal andere kleren, allemaal een andere lengte en uiterlijk. Maar allemaal toch ook hetzelfde, ergens. Ik loop en verwonder me over alles om me heen. De gebouwen, de mannen die het riool reinigen, de auto’s. Als er één iemand misschien iets niet had uitgevonden, dan was de halve wereld anders geweest. Ik loop over stenen en vraag me af of degene die ze gelegd heeft jaren geleden zou weten dat ik er overheen loop en me dit afvraag.
Ik loop en in mijn bedolven gedachtegangen van extremen komt er weer van alles voorbij. Tot op de bodem, nauwkeurig of juist onnauwkeurig. Tijdens het college besliskunde is er een stomme vraag waarin de woordcombinatie ‘unbiased coin’ staat. Ik wil weten wat dat is. Want ik denk dat er maar bar weinig munten echt precies zijn. Hoe nauwkeurig is zo’n ‘unbiased coin’? Ik weet best dat hij in 50% van de gevallen kop moet geven, en in de andere helft van de gevallen munt. Maar is het dan precies 50,00%? Hoeveel nullen moeten erachter om het onbevooroordeeld te laten zijn? Moet dat dan op moleculair of atomair niveau precies kloppen? En als dat niet zo is, hoe onnauwkeurig mag een muntje nog zijn om ‘unbiased’ genoemd te worden?
Het lijkt misschien alsof ik verveeld ben. Maar stiekem is het gewoon kritisch zijn op mijn omgeving. Willen weten wat wat betekent, waarbij ik bij voorkeur alles wat bestaat in twijfel trek. Nu ik er toch ben. Wat ik daarmee hoop? Behalve dat het mezelf de nodige relativering en plezier geeft aan hersenkronkeltjes, hoop ik dat ik er iemand mee inspireer. Dat diegene hieraan denkt de volgende keer dat hij of zij een muntje opgooit en dan zal denken dat ik nog niet eens zo heel gestoord was. Ben.
Dit is het.
To be or not to be. Zie ommezijde. Humor. De vergadering van 30 februari jl. Mag het ietsje minder zijn? Film. Uit de koers gedreven; gestrand. Lezen. Levens van getallen. Over reis. Mysterie. Negenelf, of de driehoek. Wat? Dat! Waar? Daar! Waarom? Daarom! Hoezo? Doe zo! En doe niet anders… Toneel. Gebrek jezelf te zijn, geen gebrek jezelf te spelen. Sport. Rond object voor agressiviteit. Of het wiel opnieuw laten draaien?
Puzzels vergeten. Kut. Geen zin in opnieuw. Dan maar zo. Boeit toch niet. De vraag is wat dan wel.
Iedere keer als wij elkaar aanraken. Alleen hebben wij nooit aangeraakt.
Dit is het dan.
Ik schrijf weer leugens van het onbetrekkelijke. Ik wou dat ik het niet nodig had, maar sommige dingen liggen te dicht op dat waarop we elkaar en anderen beoordelen. Ik klim over de touwen van woorden, op zoek naar die ene waarheid die me tranen doet vallen of juist om het te ontwijken.
Lopen is moeilijk als je niet weet waarheen. Toch blijf ik mezelf op de een of andere manier achterna hollen. Als ik eens wist waarom. Dan kon ik ermee stoppen. Of het nu buiten of binnen is. Misschien waar ook ter wereld.
Stormen in de nacht maken niet uit. Want overdag willen we niet meer wegwaaien. Kunnen mijn woorden wel recht doen aan hun betekenis? Of blijf ik constant dezelfde beelden scheppen? Val ik door manden via mouwen terug in herhalingen? Of is dit al jarenlang vervangen door een haperende DVD?
Waarom is (iets) volhouden moeilijker dan doorgaan? Volhouden klinkt vele malen zwaarmoediger. Doorgaan impliceert dat stoppen geen (zware) consequenties heeft.
Ik had laatst een kleine discussie met een studiegenoot over de betekenis van iemand die zegt: “ik heb overal op geklikt.” Heeft diegene dan op iedere pixel van zijn of haar scherm geklikt?
Het heeft veel weg van “ik heb alles geprobeerd.” Wat is alles? Kan iemand überhaupt ooit zeggen dat hij of zij alles geprobeerd heeft? Alles omvat alles. Er is niets meer dan alles. En alles uitvoeren duurt zodoende langer nog dan oneindig levenslang!
Heeft iemand die alles geprobeerd heeft zich afgevraagd hoeveel nonnen er met Lego hebben gespeeld, zonder de aanwezigheid van kinderen? Of een bos prachtige bloemen gekocht en deze op het station vervolgens door de roltrap laten verpletten? Ik noem maar iets.
Heb je overal aan gedacht? Ja? Gadverdamme.
En toen stond ik gisterochtend in mijn kamer om weg te gaan en vroeg me af “heb ik alles?” Confronterende rotvraag. Een kleine golf van eenzame melancholie bezette tijdelijk de lucht van de kamer. Natuurlijk had ik niet alles.
Did you mean: “Ik heb overval op geklickt“
Alles aan haar was nep. Van het haar tot aan de helemaal-niet-meer-zo-spontane lach. Dat vond ik jammer, want het had best een leuk meisje kunnen zijn. Het meisje van de bus was compleet nep, maar ook lachwekkend. De grandioos afkeurende blik als er andere meiden de bus in stapten — de arrogante vertwijfelende visie. Ze heeft het helemaal niet nodig, maar ergens zie ik de hapering in haar gedachten. Het twijfelen aan haarzelf en hoe ze eruit ziet, terwijl ze verreweg het allermooiste meisje in de bus zou zijn geweest, als ze geen poespas door haar gezicht had.
Zonde van alle onnatuurlijkheid. Will she ever break free?
Ik douche veel en veel te heet. Een late poging om nog eenmaal te voelen hoe ze me in vuur en vlam liet staan door haar armen om m’n nek te leggen en haar hoofd tegen die van mij. Ik zou ijs en ijskoud moeten douchen, dan werd ik kleiner; kon ik haar beter omhelzen, wat trouwens nooit meer op het programma zal staan.
Geen tekst te schrijven.
Geen woord gevonden. Geen letter geschonden. Geen zin goed genoeg bevonden.
Toch proberen. Wil niet omkeren. Maar hóé te leren?
Ik vroeg me af of iemand dat woord ooit eerder getypt heeft.
Zo niet: bij deze.
Prutsers.
De boeken staan dicht op de plank. Ik ben niet in staat ze meteen op de juiste pagina open te slaan. Een nutteloos kunnen, een boek meteen op de goede pagina openslaan. Ik kan beschrijven hoe de lamellen dicht zijn, maar de gleuven het zonlicht van tien uur er doorheen willen laten schijnen. Soms is die zon niet sterk genoeg me te bereiken. Dan maar de regen van een douche. Met de geur van exotische planten.
Alles is door elkaar. Van de drie- tot aan de oneindighoek. Ik weet heus wel dat ik bij twintig ben. Maar hoe is iets beter dan iets anders? De maatschappij is overtuigd materialist. Ik zou graag zelf van iets overtuigd zijn.
“Even though we grow older each day, it is never too late to love.”
The killing of innocent people.
No act can ever make it right again.
If I were a dictator, a person caught driving with alcohol would lose his driving license forever. If he is ever seen driving (under the influence) again we shall execute the backstabber of society together, shan’t we? How many timespeople does it take to really learn something for some people?
It’s not that I am not forgiving of people who make mistakes, but how can the person mentioned in the previous paragraph justify his or her actions? I do believe then, that it is way more convenient to kill people who cannot cope with society — though I also realise that we have no ‘right’ to do so.
Please tell me (if you dare to have an opinion), how is imprisoning a person for a lifetime more justified than killing this person? In both cases I don’t see much of a life anyway.
I came back from drama the other day, somewhere in 2008. I traveled in one of the last Intercity trains leaving for ‘s-Hertogenbosch. Somewhere along the road, the lights were turned off. It was by far the most beautiful evening in a long time. To be able to see life at night. To truly look out of the window, without seeing your own reflection. Some people were in wumbled agony walking towards other parts of the train, only to find out that inner darkness ruled there as well.
After a couple of minutes, somebody (the conductor probably) turned them on again. I wish the moment lasted longer, or that it happened all the time. Being able to watch the lights outside of the train, instead of only the reflections from inside. I know they can’t offer that. Maybe it has to be this way, so that it will never lose its serenity.
het is niet dat het altijd uitmaakt of ik interpunctie gebruik of niet want het zijn toch maar de nodeloze woorden van een jongen zo erg op zoek dat hij niet meer weet waar hij überhaupt nog vinden kan in de massa’s van mensen door de waslijst van oppervlakkige wensen
I was just starting to write that: “I am a bit anxious to post too personal stuff here, but sometimes the story” — when it suddenly came to me that the only reason this is even interesting for people to read is because it is personal. Anyway, there is this story I would like to share with you. Since this is the 100th post on this blog, it’s a damn special one. I advise you to read the words slowly and thorough, because they were written so.
It is the 20th of August 2008 and I am on my way back to Rosmalen by train. I am sitting and waiting, because the train isn’t due to leave for another twenty minutes. There is an Algerian man sitting on the other side of the aisle. Out of nothing, he asks me whether he is in the train to Nijmegen. I say he is. There is a silence. A couple of minutes later he asks me what I am doing, and I was actually writing a poem for a friend of mine. I told him the whole truth, that the poem was about a broken world, sort of pessimistic. We talked. We came upon the news, how it tends towards negativeness. I was afraid that our conversation would turn into crappy small talk. I then decided to be as open as possible, since it didn’t matter anyway, and take the mask we are socially obliged to wear each day off for a moment.
What then happened is indescribable. We continued to talk. About how expectations are usually overrated and it’s all about the small things that make us happy. Furthermore, I told him that in sixty years, all this [life] will be over for me, and in the end: what makes sense? (I was not in the most optimistic mood that evening, though I could relativise it all.) He was then silent for a moment, thoughtful about what I just said, and eventually said he understood. We talked and came to the point where all that matters in the end is love. (A bit of a cliché, but still.) We concluded that we both didn’t have a girlfriend, laughed. I said I was sure I would find her someday. I don’t know why I said that, because I never really thought about it before that moment. He asked me why I was so sure, and all I could say was that I just knew that there has to be someone out in the world whom I want to spend my lifetime loving. He liked the enthusiasm and the limitless faith.
It then was my stop so I needed to get out. We shook each others hand, said we would soon find love, and when I left the train he said to me: keep writing.
Tarik: Wherever you are, I still haven’t found her, but I hope you have, and if not: I believe that you will someday not far from now.