Het is nooit over

stilte illustreert slechts tijd
wegen mijner levensweg

dus laat me zweven door dat leven
wees geen breker van het spel

altijd opnieuw onovertroffen verlangen
gewenning niet noch nooit ter sprake

verloren ziel van de tijd
waarom heb ik lief?

Geschreven op zeventien augustus tweeduizendzeven.

An eternal present

The day before yesterday I decided to go to the beach. Not for any particular reason; I just felt like going there. Even though I ought to have learned for my examinations on Tuesday. To see the waves smashing upon the yellow beach, it was once again beautiful. At times there was sun, on others only the darkness of clouds hanging over the world, colouring the sea broken darkblue. Timeless yet so moving saw I the grains of sand slendering across the beach or into the sea. Thousands of footsteps cannot even describe the feelings that afternoon. I felt the urge to run but I didn’t. All I did was walk, from Zandvoort to IJmuiden, while sometimes standing still to let the wind blow me apart. My mind was full of rubbish. I still have no idea where to go next. Suggestions are welcome.

On my way back I tried studying, but I was quickly distracted by the people around me, a beautiful girl in particular. First she fed a pigeon at Amsterdam Centraal, to the extent of irritating a guy who tried eating his sausage roll and in doing so wanted to scare the grubby pigeon away from his food. He was in between her and me. The train arrived and this was the end, because I’d took the door right and she the one on the left. But once inside the double-decker train I choose the upperleft and she the upperright, so I ended up sitting nearly opposite of her. I glanced at her a couple of times while trying to study for Cognition, but she kept reading and never looked up (‘duhh’). It may be that I was utterly irritating her. She needed to get even further down south when I walked out of the train at Eindhoven station.

All that really struck me were the poetic words at the end of a paragraph on amnesia: “As a result, he lives suspended in an eternal present.”

Proteron hysteron

Is it life then love or love then life? En eten dan? Of warmte? Hoe weet men nou wat het meest van belang is? Alles is situatie-afhankelijk (geworden).

Ik bewaar oude briefjes met treintijden naar dingen waar ik ooit geweest ben. Maar niet in een plakboek. Ze zwerven altijd door een lade, op een plank of in een doos. Maar ik raak ze op de een of andere manier nooit echt kwijt, gooi ze ook zeker niet weg. Ze hebben zelfs verhuizingen overleefd. Misschien wel beter nog dan ik op sommige momenten.

Je hebt ruzie maar je weet niet waarover.

Verdienen

Dat wordt dan toch maar een mailationship.

Krant

een krant beschouwt gereden spoor
waakt als prop over zijn kiezels

het heeft geen waarde
niemand is geïnteresseerd

een vlaag kil wind verplaatst
een trein raast sporadisch langs

dwarrel blad
vlieg tot zat

Oetranzats

Geef het verrekte perfectionisme van alle beladen dingen een grote schop onder zijn hol. Is het streven naar geluk niet slechts de desillusie van geluk in een lelijke trol? Ik ben de techniek van onzinnigheid zó meer dan zat.

Ik hekel veel losgeld. Ik reis bij voorkeur zo licht mogelijk. Mensen met een voorliefde voor muntstukken van vijf en tien eurocent: ze zijn af te halen op mijn kamer. Dichter bij een ‘goed’ doel kom ik niet. Wat is goed? Om over het doel nog maar te zwijgen. Ik heb nooit echt het idee dat ze hun doel(en) bereiken en vervolgens ophouden te bestaan. Er hangt een geur van onbereikbaarheid omheen. Ik zou er essays over kunnen schrijven waarvoor dan extra oerwouden gekapt zouden worden, maar doe dat niet — steun ik daarmee dan niet impliciet ook zo een goed doel?

Uitspraak

Bezwerving

Laten we doen alsof we nog iets weten. Dan doen we weliswaar alsof, maar dan leven we tenminste niet in de schijn van onwetendheid. Maar is zogenaamd intelligent spelen wel gerechtvaardigd? Altijd lastig. Stemloos bepalend vergrootte het openbaar vervoer zonder mededogen onze afstand. Om het vervolgens nooit meer goed te maken. Kon ik dan maar op mijn tranen lopen. Dan zaten mijn lippen op de jouwe. Minstens tweehonderd seconden lang.

Ik maak je mee
Met zwerfvuil van zoenen
Schapen we doodgeslagen bloemen

Je zoekt de WC
Kijkt rond, elke hoek in iedere kier
Maar vindt slechts bedorven toiletpapier

Ik maak je thee
Ook met smerige rooibos in je kop
Vind ik je stiekem steeds nog oppertop

Kennisschennis

Ik reis door niemandsland. Kom niemand tegen. Zie niets bewegen. Zo dwaal ik etmalen af, door lafheid geslagen in de dagen die vertragen. Een knorrende maag-en bestemmingsloos verkoos ik boos een poos alleen boven tezamen. Maar in dit landschap zijn geen ramen laat staan namen van mensen want ze zijn er niet. Het is ik die iedereen losliet. Niemand ziet of in dit geval zag. De dingen die ik niet vertellen mag, van ontzag, soms slechts het gelach dat me drijft te blijven zitten op bewegende stoelen. Ik wil het niet meer voelen, het onderkoelde gejoel van de leugens van de engelen. Ik bungel aan de achterkant van het verstrengelen, maar met het voortouw aan me vastgebonden nemen de verhalen niets van waarde weg. Ik kan wel praten maar er is niemand die écht luistert naar wat ik zeg. Ik laat het begripvol dodelijk achter, daar waar ik ooit begonnen ben. Misschien streef ik naar iets of iemand dat ík zelf ken.

Naar diegene die me ook zonder woorden kent.

Teddybeer

Ze is vertrokken. Zomaar. Op een lentedag in november. Ik weet geen synoniemen meer voor dat wat ik beschrijven wil. Het voelt alsof de CD blijft hangen doordat er een kras inzit. Ik heb die kras zelf gemaakt door er onvoorzichtig en onzorgvuldig mee om te gaan. Of misschien moet het het cassettebandje zijn. Dat het een raar geluid maakt en je het uit de speler haalt, vervolgens meterslange band ermee uittrekt. Waar ik overigens dan weer niets aan kon doen. Dat typeert het misschien, want als je jonger bent weet je minder. Je denkt er in ieder geval niet zo (lang!) over na.

Ik heb een prachtig liedje. Het mooie van dit liedje is, het is nergens online te vinden. Nog niet door YouTube vermoord. Maar ik heb de CD.

taste life
it’s delicious

Iedereen praat weer over (de onbenulligheid van) het weer. Hoe ze zo lekker buiten zitten kunnen. Ik heb er niets op tegen, zal het vaak zat zelf in mijn leven gezegd hebben. Maar toch. Hoe vaker ik ze hoor hoe harder ze als mokerslagen van volledige verzadiging aankomen. Dat we niets beters meer kunnen bedenken. Is praten soms niet een volledige overbodigheid tijdens een gesprek, dat alleen nog maar meer vuil maakt?

Ik wil buiten staan in de regen. Verzuipen met de druppels die kapotslaan op de klinkers van de middenweg tussen huis aan huis, in de vergetelheid van de gleuven die geen nachtlicht meer kennen.

Ik laad volledig willekeurig mijn telefoon op. Erger nog dan honger in een derde wereld is dat mijnenveger niet altijd de juiste getallen aangeeft en ik onnodig het spel verlies. Dat is dan het hoogste van mijn geluk, op weg naar niets in het bijzonder.

There is nothing left to stare at.

Collegebankpoëzie

“De lantaarnpaalparade van de late avond zomertijd. In de zon ben ik mooi. Maar de genadeloze uren van de avond denken gedachten op van wat ze doet.”

of ik ben ooit door God verzonnen
wild jong vrij en onbezonnen
ofwel het is simpel natuur
vrij spel van een halfuur

toch leef ik nu en heb een mening
zelfontwikkeld, gaar maar groot
het is toch maar een tweedeling
tussen levensgroot en dood.

hoezeer mijn brein ook denken kan
hoe vaak men m’nog beschrijft als man
een wereld ondersteboven, joh, stik
belangrijker nog dan anderen, ben ik

Impermanent marker

It is not something you can turn on or off. It is there. And if you have it, it is almost constantly with you. Sometimes it fades away for an undefined amount of time, although in the end it makes place for somebody else, thus it is or will be there. You can’t just turn it off, it’s like a background process on your computer, constantly active, even taking power from other processes! (My apologies for the nerdy metaphor.) So, yes, love is a virus.

Love bringes people together, sweet and softly. But it also tears them apart, like a glass breaking into thousands of pieces on the floor. In doing so it doesn’t take any law of nature into account, since the falling lasts in general longer than a second.

We run for love, some even die for it. But most of all, we live life for love.

But even permanent markers are empty some day. The 3000 after edding stands obviously not for the amount of years.

Dates to remember

Een digitale agenda. Virtuoos virtueel bladeren door de afgelopen anderhalf jaar. Achttien schermen, zeventien klikken. Ik vind het poëtisch. Een samenvatting van al je activiteiten. “Dat heb ik ook nog gedaan.” Als ik de tijd even kwijt ben. Van dingen die alweer zo lang geleden blijken te zijn? Of zo kort? Zo lang ik denk het einde van het verhaal te kennen, doen anderen alsof ze inderdaad al geïnstrueerd zijn over de afloop.

Of bij je CV: al je capaciteiten beschreven op een paar blaadjes. ‘Mooier’ kan toch niet? Kunnen we je tenminste in een hokje proppen. Ik weet niet zo goed wat ik er allemaal van denken moet…

Ik ben de ‘Introduction to…’ zat. Ik wil nu slechts de aan mij onthouden honderd waarheden onthouden. Maar misschien is alles te moeilijk. Ach, dom blijven kan ook geen kwaad. Maar. Ik wil zo graag iets nieuws leren. Ontdekken zoals toen. Ik blijf me afvragen wat er dan veranderd is.

Ik veranker mijn woorden. Maar in het zand van het strand blijf je bezig.

A.

Plaatsvervangende stilte schraapt zorgvuldig
De laatste loodjes leven van gevoel

In open ogen gedachten ziet ze schoon
De onbewogen genegenheid van zekerheid
Onze armen die licht ontvlambaar raken

Niet luid smiespelen of tonen dat
Wa(n)t zij niet weten mag

Maar als dan toch en weder
Dan wij saampjes het verhaal van liefde smeden

Dat heb ik inmiddels wel gemerkt…

Aan de haak met de gordijnen hang ik stilletjes. Bekijk het van boven. Mijn leven lang of levenslang. Kun je als je observeert deel uitmaken van hetgeen je bekijkt? En over hoe ik me er dan bij voelen moet. Of kan.

Ik heb gerend. Ze was er niet. Volgende keer beter. De vorige keer wilde ze mijn nummer. Maar dat leek me een onnodige verwoesting van dat wat helemaal niet modern hoeft. Misschien wil ik te klassiek. Films bestaan niet.

Films bestaan niet. Series evenmin. Waarmee verdoe ik dan mijn avonden regelmatig? Is het iets dat nep is? Of is het oké te kijken zolang je je met iedere cel van je lichaam beseft dat het fictie is. Misschien heb ik wel een onbewuste voorliefde voor escapisme. Maar als ik dat zo schrijf, is het dan nog onbewust? En hoe weet ik dan of het bewust of onbewust is, überhaupt bestaat?

Kortom: ik heb weer geen flikker uitgevoerd. De hele dag weer gezeten. Een schoonheidswandeling die er niet toe doet. Weet ik veel wat ik wil.

Ticket

I am stupid. I walked all the way from my room in Eindhoven to the station, because on this particular Friday my student travel card wasn’t valid. I walked into the station immediately to the train leaving in less than a minute. The moment I sat down was the moment the doors closed and the moment I realised I didn’t buy a ticket.

So I walked through the train, couldn’t find any conductor, thus sat down. Not the best ride of my life, mentally. Got out at the next stop. Not at my best I stepped out of train at station Best. I bought a ticket to ‘s-Hertogenbosch and waited for the next train.

So much for studying at a university while I’m too dumb to buy a ticket.

IJsstraat

Wow! Een ijscowagen door mijn straat. Gisteravond. Ik koop er een ijsje. Want dat moet van mezelf. Meer dingen doen. IJs is lekker. (Drie bolletjes ook.) Heerlijk. Vrolijk. Misschien heerst Tevredenheid.

De wereld is gaan dansen. Ik fiets. 10.000 nummers op zak. Je speelt in gedachten. Schrijft boekjes over liefde. Een stroom van regen, maar buiten is het droog. Geen hoera meer voor onzekerheid. Want als de tranen aandelen waren, dan was je een goudmijn:

dus doe mijn ongelijk in kokend water
spring het denkvat leeg in bad

zonder alcohol toch een kater

paldroog onverzekerbaar
maak ik weer mijn wangen nat

Er liggen monsters op de vloer

Op 22 januari 2005 schreef ik een gedichtje, dit is een deel ervan:

tegelijkertijd neem ik voor
mezelf er niet meer aan toe te geven
en dat dit de laatste keer was
maar liefde is een valstrik
en keer op keer trap ik erin

De woorden zijn achterhaald, simpel, beschrijvend en cliché. Niet iets wat ik nu nog schrijven zou. Maar misschien bewijst het wel dat ik de allerslechtste ben in daad bij woord voegen. Of gelden er andere regels voor poëzie?

Shoot the messenger

Ik wil geen zakelijkheid. Een zelfportret hangt ondersteboven op het plafond. Misschien verschrikkelijk kinderlijk beticht als zijnde speelsheid, maar wel mooi. Het seizoen maakt plaats een andere die begint met de letter l. De l van van alles. Maar nooit van wat je denkt dat het is, want ik kom altijd wel met een ander woord.

Niet dat het geheel rationeel is, maar je blijft toch denken. Ik heb immers ook geleerd dat mensen ‘boundedly rational’ zijn. Maar is boekjeskennis heerlijk? ‘Wat als’ mag niet de boventoon voeren hè? Kon ik dát maar uitleggen. Aan mijn gevoel, in dit geval.

Honderden gedichten aan tientallen van mensen. Ik heb ze geschreven…

Last Thursday

They took away his coffee. It was 8:50AM, we were just settled down, talking about the assignment, when somebody entered the room, asking why he thought the rules for students don’t apply for him. He said that he works better with coffee. We all knew he would clean the cup up afterwards. The angry man didn’t agree. The tutor handed him the coffee, angry man said he would report it. When the door was closed, the tutor then said that it was the second time, so he wondered what would happen.

That evening I was waiting in the cinema because I wanted to see Knowing the day it came out. It sucked because I felt sick. Had been in my bed the whole afternoon, even took a paracetamol to try to make myself better for the movie (I bought a ticket in advance, so that’s why I really wanted to go). I was waiting because I was a bit early, I took my small notebook (a paper one)  and wrote some things down, about physical pain and how my life didn’t suck that much. A man came to me, he said I was looking around taking notes, and wondered what the hell I was doing. I probably looked a bit like a sitting corpse anyway, so I can’t blame him. I told him I was just waiting for the movie to start and just writing things down because that’s what I am good at (well I didn’t said that last part). He said it was OK, left.

I felt alone again. I don’t mind talking, not at all. It all just depends on who where when. Life is great, ain’t it?

Now I am off to squeeze some oranges.

A day late and a dollar short

I suddenly realised: it’s not about a second chance. It’d only make it even more look like hell. It’s about appetence. It’s about me having my heart set on something I can’t have, but it doesn’t work like that. Previous knowledge doesn’t change any of it, just how I handle it.

To wait equals uselessness. Like cold days in Hell. Sometimes I think that all I am good at are the words, the writing. I feel content after writing them, but is that what matters in the end? Is it valuable? Reading these words doesn’t change life. It saves nobody, and if you wouldn’t have known this blog, you wouldn’t miss it. (Which is logical, but I like the reasoning.) Since I like writing and you obviously like reading it (otherwise you wouldn’t, would you? — be honest to yourself for once in your life), I continue doing it.

Sometimes it all feels like rearranging the deck chairs on the Titanic.

(Then I got sick, and realised that physical pain is much worse than some sort of emotional pain from something not working out the way you thought it would do. And if I could choose, I would probably choose being healthy above being with her (if that was possible) — I hope that doesn’t hurt the girl I was falling so crazy in love with the last couple of weeks minus two weeks ago or so. She’ll understand.)

Sinaasappels verorberen

Taking our so called moments of timelessness,
Putting them right next to the moving fireplace,
Waiting for a lightning, to be ripped open,
All of it being gone forever, one day eventually.

Ik spreek je taal klaarblijkelijk niet meer. Misschien ben ik ook wel heel slecht in vertalen. Maar ik wil geen requiem. De duisternis van de overdagen die rücksichtslos aan me voorbij passeren. Wat heeft het sluiten van de deur voor zin als je de sleutel tot m’n hart bezit?

Ik probeer mijn ogen te sluiten. Stuiter op beelden van haar. Soms wens ik de irrationaliteit van dat het allemaal maar een wiskundesom was, dan kon ik het tenminste oplossen…

The wind came to take you yesterday,
I held you in my arms, my eyes closed,
I was holding a lamppost when I woke,
At least that didn’t go away.

It kept shining for the day.

Soms ga ik ernaar terug. Dan zit ik in the middle of fucking nowhere, arm in arm, maar wel met die lantaarnpaal. Iedere keer als ik daar zit blijft-ie overdag branden. Misschien wel bijna even mooi als de leugens van tezamen schijnen.

The road ahead is empty,
Like it was months ago,
When we knew not,
Thus not yet existed.

I can’t wish for that we never knew. My feelings exaggerated in extrema. Single-minded attempting to live on. Towards others as if it never happened of course.

‘This goes beyond the scope of our topic.’

On monday mornings I follow an additional course on advanced ethics in technology. We discussed the use of robots in warfare and if the Three Laws of Robotics (by Isaac Asimov) need be updated to include modern warfare with non-human combatants.  The first law says that: “A robot may not injure a human being or, through inaction, allow a human being to come to harm.” At first I thought we should change this, because otherwise warfare robots cannot kill any enemy at all. But after a while I realised that it isn’t at all relevant in a bigger picture. What follows now sounds a bit idealistic, but I continued to write on violence (and war) in general. We have literally been working thousand of years developing language skills, being able to communicate properly. Making it possible for any human being to communicate with any other human being. Then why fight at all? It’s kind of pointless if we can talk about it isn’t it?

I rumbled something about religion, and how it hasn’t brought us closer to anything that resembles the truth. We can have such different opinions about religion (and God) so that we kill because of it. An endless fight?

Next, I wrote about a Dutch comedian. He once said that some people are very intelligent and developed, thus are good in talking and discussing. Though there are other (dumb?) people, they are better in physical appearance and combat. He said that it would be unfair if all arguments were settled through communication. In my opinion however, people don’t like pain so try to prevent it, for instance by not fighting (simply said).

Maybe I am just too limited to see or understand this. It’s probably a bit too utopian for any practical ends anyway. But the question that goes along with it is very simple: is violence ever justified? I can’t answer it.

Tegenspeels

Bedraai me dan en woeker om. Ik klim de boom wel. Kijk niet louter over jou, maar over heel de stad dan. Herinnering & toekomst.

Hoger nog dan spelen. Misschien moet ik dat bord gras eten. Niet meer zitten waar ik gezeten heb. Was ik maar uit gewikkeld.

“Leg je blote handen open.”

Slaapstand

Ze spieken. Weten niet wat waarheid is. Ik evenmin. De deur staat op een kier, maar wordt wel ingetrapt. Ik vraag me af waarom. Ik denk dat ze het niet weten. Niet weten wat binnenin gaande is. Dat is niet erg. Ik sleep met touw de spullen op hun plaats. Hopen dat ze blijven staan. Zodat ik het dit keer goed doe. In slaapstand voel je niets.

Ik trek de zegels uit handen. Verscheur ze, door mijn absurdistische principes. Iedereen beweegt. Ook de doden. Lacht. Giert. Zelfs brult. Ik blijf stil staan. Stilstaan suggereert dat ik alleen niet voortbeweeg, maar nog wel praten kan. Stil staan zegt meer dan dat: ik zeg niets terwijl ik sta.

Soms voelt het alsof ik Wally ben en niemand me kan vinden op de tekening. Als ik slecht gestemd ben is niet eens iemand naar me op zoek. Alles is bewust. De letters van mijn naam staan wel op het bordje, maar ik kan niet mooi aangelegd worden om op het Scrabblebord te passen. De puzzel waarvan het stukje mist. Of Cluedo, maar dan wel het potje waarin ik het gedaan heb maar het spel voortijdig afgebroken moet worden, dus niemand erachter komt.

Eerste glas, zo lach ik mijn zenuwen niet weg. Spoor niet.

Schrijf nu!

Aan de meneer van de broodjeszaak bij wie ik gisteren een broodje gezond op Utrecht Centraal kocht: U had gelijk. Maar dat besefte ik me pas toen ik weer terug op m’n kamer was.

Achteraf had ik liever naar links gekeken dan naar rechts, want haar schoenen waren beter. (Het is maar net waar je op let, niet doorvertellen!) Maar ik ben niet ontevreden. Ik had de opdracht ook verkeerd begrepen, door zowel voor mijn linker- als rechterbuur het perspectief te schrijven.

Links: Ze schrijft over hoe het ziet. Wat ze dacht toen ze binnenkwam. Waarom het whiteboard leeg is, en of Khalid dat vooraf heeft uitgeveegd of de vorige die het gebruikte het zo achterliet. En waarom er nog vegen op het whiteboard stonden.

Rechts: Ze ziet de gebouwen door het raam beter dan ik. Ze wil misschien wel liever buiten zijn, omdat Nederland zo enorm vaak niet-zonnig is. Ze schrijft ook vast iets over de tafel en hoe de thee en bekertjes ongebruikt staan te wezen. (Achteraf bleek dat ze inderdaad over de zon schreef en liever buiten was, maar niet over de tafel en de thee.)

Misschien is niet-weten ook wel leuker.

Deuren

Wie gaat er nog zomaar bij iemand langs? Alleen niemand. Het kan niet meer, heeft misschien nooit gekund in de tijd waar ik ben geweest. We rekenen er niet meer op. We hebben ook niets meer in huis behalve dat het smerig is.

Wie heeft de afgelopen tijd nog voor een dichte deur gestaan? En ik ben het, die niet weet of dat een retorisch vraagstuk is, of moet zijn.