Gedragingen

Ons aangeleerd dooduitstellend gedrag is alles wat we ooit kunnen uitvoeren. Verlost onze kennis ons op termijn van de doden? Van doodgaan? Men zou al kunnen stellen dat dat gaande is: niet met onze getransplanteerde of kunstorganen, maar omdat we alles documenteren, zodat ieder ander erbij kan. Dan is de vraag of een groep mensen, een civilisatie, ook slechts dooduitstellend gedrag kan uitvoeren of dat wij een hogere betekenis aan kunnen dragen.

De civilisatie die eigenlijk ongeciviliseerd is: zo toevallig kan het toch niet zijn dat het woord geld in zijn totaliteit in het woord geweld zit. Schop steen opzij, wankelende wielen in westenwind, nog een paar procent meer economisch succes en onze schoenen vullen Sinterklaas weer beter, kunnen we niet beter een keer de paaseikerststolpepernootjes afschaffen in plaats van aan. Waar we nergens meer heenkunnen zonder het reeds honderdtachtig dagen vooraf vast te hebben gelegd in nullen met enen of wat diezelfde nullen met enen voor ons op papier gesneden met nullen met enen hebben gezet.

Ontdoe mijn vervloekte ziel van het beter weten in plaats van een slecht geweten en onthul de onachtzame momenten van mijn speling met het lot van onze spelling. Geef mij verdomme een god om het op te blameren. Om die onmacht te hervormen naar iets van waarde voor andermaal zielloze anderen.

We verblijven in de treinen die ons brengen naar waar we niet moeten zijn. Wij wensen tevergeefs ons geluk bijeen in de dagen dat het allemaal niet zo lekker gaat, rangeren wij in al onze hebzucht onze kunstmatige geluksgoederen bij elkaar zonder de gedachte: wij stellen de dood uit.

Dat vervloekte denken

Er komt dus een punt waarop we alles weten? Kunnen we dat met zekerheid zeggen, of kun je altijd doorgaan? Is het doel van kennis verwerven zinloos in de eerste plaats als we op een bepaald punt alles zullen weten of beter nog: als blijkt dat we niet gelukkig(er) worden van meer kennis. Als we liever onze dagen slijten aan het spelen van spelletjes of aan het cocktails drinken bij zo een blauw strand, waarom zouden we dan willen streven naar meer kennis? We weten immers genoeg om te weten waar we ons geluk uit kunnen toveren of halen, en het blijkt dus dat dat niet ligt in kennis, anders waren we niet en masse bezig met futiliteiten, nietwaar?

Van de dingen die lastig zijn vind ik dit een van de allerlastigste. Antwoorden komen, antwoorden gaan, maar het enige dat blijft is het opeten van eten, omdat ik anders geen nieuwe antwoorden meer kan formuleren of oude kan wegstrepen. Als het alleen daarom gaat, is eten het belangrijkste. En een dak. Veilig- en vrijheid dragen ook bij. En na die dingen pas denken.

Dat vervloekte denken aan dingen die niet kunnen of mogen. Ons verlangen naar vroeger, ons denken aan toen wij nog onverantwoordelijk waren, denken wij. Terwijl de waarheid is dat die volwassen hebzucht veel onverantwoordelijker is dan de onwetendheid uit een jeugd.

Zin zoveel

We zijn om vier uur wakker en ik waak als een bezetene mijn brein bijeen. Waarom? Ik ontketen het moment van mezelf en tover de woordenschat van vijfdegraagsvergelijkingen om in algebraïsche argumenten. Voordat het leven onder de zon of wolken ons verzon, heeft er al iets in de lucht moeten zijn dat leek op leven, nietwaar? Hoewel, ooit is er iets uit niets ontstaan: zijn wij nog niet ver genoeg om erachter te komen hoe dat is gebeurd, of hebben wij reeds duizenden jaren geleden onze magische goden al gevonden maar kunnen (of willen) wij die irrationele waarheid nog niet aan?

Zoveel weten we wel en niet tegelijkertijd, dat het bijna eng is te beseffen dat de enige zin die het leven kán hebben een bijdrage leveren aan onze gemeenschappelijke kennis is. En als dat waar is: zijn er dan samengevat niet twee beroepsgroepen op onze wereld? Zij die bijdragen aan onze vooruitgang (qua kennis, met onderzoek) en zij die die eerste groep mensen helpen (en zij die de groep helpende mensen helpen, enzovoort).

Het betekent dat je het hoger doel niet vaststelt op een god of op hebzucht, maar op kennis van de wereld. Van onze wereld, van de enige wereld die we kennen, maar bovendien: van de enige wereld die we zonder slag of stoot of schroom zielloos kapotslopen alsof we nog een reserve wereldbol hebben liggen.

Wereldgevecht

We vechten onze gebroken handen bijeen, laten onze hoofden zweven. Waar ging dit de mist in? Waar ruilden we die zielen van onszelf in voor die van die mensen die hun tijd constant kwijtraken? Ik speel met het dopje van een pen terwijl het topje van de ijsberg langzaam smelt doordat we miljoenen pennen moeten hebben. Ik eet ook penne.

Mijn opgewarmde tenen adoreren iets dat lijkt op verwarming en het moment lijkt niet meer lijken maar is het daadwerkelijk: bestemming bereikt; hier hoort hij thuis terwijl het evenzo vergaat na twintig keer kunnen hebben ruiken aan die wekelijkse avondraad. Mijn ziel splijt: hoor ik niet op de rand van het strand of in gevangenschapland?

Wie vult de dagen aan in onze vorige week zogenaamd vergane wereld, wat vult diezelfde dagen op. Ik speel met spullen die meer van de wereld hebben gezien dan ik. Die aangeraakt zijn door handen van een gezicht dat ik nooit van mijn leven zal zien. Toe, sluit de ogen, we gaan die zonovergoten wereld tegemoet.

Aldaar val daar

Ik praat alsof ik het verlaten perron verlaat verlaat. Ik zie alleen maar dubbel als dubbele dubbeldekkers langsrazen zoals ze overdag ook de drukte elimineren door snelheid te imiteren.

Ik allitereer niet meer maar alliteraar alleen nog maar als ogen boekdelen stelen van onze schijnstervelijkheid. Wens ik je niet meer kwijt, nooit ook geweest als zo, maar verliezen zullen we als verminkte wanhoop zich met zijn antoniem verenigd.

Onbegrijpelijk reëel, alles wat al een eeuw toneel praten we recht zodat het nog een keer bestaat. Herleeft in een stem die door de aangetaste herinnering beeft.

We praten over concepten die de mensheid voor ons heeft bedacht, die radeloos ons intellectueel gemeengoed: taal, samenbrengt bij zij die zichzelf bij elkaar samenbrengen. Toch kruipt het door je huid dat je nooit zal begrijpen hoe de wereld daadwerkelijk werkt — waardoor we de wensen wellicht vastgrijpen, maar nimmer meer het moment waarop het nog niet bestond of begrepen was terugkrijgen zullen.

Onze gang van zaken bestaat uit nieuwe zaken: ontstaat dat nieuwe moment als vanzelf bij het doen van die nieuwe zaken, of kun je je verlegen nieuwheid staken doordat de dag uit een replica van gisteren bestaat: is het dán nog mogelijk dat het ontstaan van een nieuw moment bestaat?

Wat zou je doen om niet te hoeven sterven

Wat zou je wegvliegen, ik land bij jij inzicht is allang verdwenen. Mijn flarden van chocoladebonbons of een overdosis droge humor. Ik sta te klunzen met een sleutel die van mij is als jij langsloopt. Wij hoiien een gesprek tussen bekenden en over hoe mensen als wij de wereld verkenden. Ik zal niet zeggen wat ik denk maar denk ook niet na bij wat ik zeg, voor mij pech.

Er valt niets meer te vernielen als alles reeds met bijl of hamer bont kapot geslagen in blauw of zwart maar vooral grijs op de grond ligt. Wie redt mij? Wie geeft hier antwoorden? Er valt hier geen snaar meer te raken, alleen nog het sluiten van een kledingstuk in mijn gedachten. Ons onzinnig bezit, ons krankjorem bezet, ons bekrompen brein.

Niet om te schrijven noch om te blijven ben ik hier gaan zitten. Ik schreef niet, ik bleef niet, ik beef scheef en veeg leeg pagina’s uiteen. Pagina’s die bestonden in een andere wereld maar hier fictie zijn, of beter: blijken.

Blijf tegen jezelf zeggen dat er een parallele wereld is. Niet om het een of ander, maar gewoon, dat vervloekte lot dat andere getallen koos om mee te spelen. Hetzelfde als was je ergens anders geboren of een andere school gedaan. Fuck niet met mijn hoofd. Niet met mijn hoofd. Niet mijn hoofd. Mijn hoofd. Min mijn hoofd ben ik slechts een brok lichaam zonder gedachtes.

Claim het fanatisme, neem een enthousiast. Vergeet een belangrijke dag. Maar schrijf niet om te onthouden wat je nooit vergeten mag.

Statafel

Mijn observaties, het leven, tegelijkertijd de uitlaatklep van onze verlangens en angsten. De razernij als zonwering voor de ogen. Alles achtergelaten; geen van mijn kleren heb jij gezien. Het leven heeft nooit tussen ons in bestaan. We staan buiten op een half balkon op een eerste verdieping terwijl we uitkijken over de skyline van de campus van de universiteit.

Statafel. Wat een vervloekt kutwoord eigenlijk. Het klinkt als falafel en dat was de bom toen we in een nabijgelegen dorp eten gingen — ik herinner me weer dat je er niet bij was met eten maar wel die avond. Verstandig; ik pak alles in, in, in. Uit ging het niet, uit ging niets, er ging niets vanuit, uiten deed ik niet. Doof mijn hart als andermaal tijd herinneringen pakt of beter nog: steelt omdat ik steeds meer vergeet over wat er binnen speelt. Een hand die trilt, als ik denk aan hoe ik hees of leen — ik vergeet het verschil.

En alles is lelijk maar het is zo mooi.

Mijn onachtzame tevredenheid

Mijn onachtzame tevredenheid. Ik wacht ‘s nachts op min acht terwijl ik het minachten van de ziel verwacht al bij min vier: met muts de kou in, radio plus verwarming aan terwijl mijn hart op een kier van dat verlangen: die achtzame ontevredenheid.

Hoe ver moet men gaan als het missen als het vergaan van de een met de ander voelt? Geen getweeëndeelde ziel of lichaam; alleen maar hoogwaterrampen in een storm van geruziede woorden. Tof. Faciliteert geen terloopse bezigheden meer, feliciteert geen bekenden meer, maar blijf me bij of bij me; ik opper alles met blijf. Betekent “ik ga blijven” dat je gaat of dat je blijft?

Geef me maar voor even, jou eenmaal nog te spreken aan de telefoon en anders absoluut geen medeleven. Wat gewoon? Ik ontdaan als het besef van ik-woon-ver-bij-jou-vandaan mij parten spelen gaat. Als je zonder mij blaast over lichtjes op de verjaardagstaart. Soms wens ik “maak me dan af”; geslagen in lafheid zal mijn ziel je in mijn dromen proberen te verjagen maar mijn dromen vinden plaats achter mijn netvlies en wie stond daar op gebrand?

Doe maar dood maar.

Wat zou mij mijden?

Aan die oevers van mijn ongeweten, de klanken van herinneringen snellen door mijn hoofd: gebouwen van vroeger die gesloopt of anders, blijven binnenin mijn vurende neuronen gelijk.

Ik zie jou, en hoe ik naar jou toeliep en wij samen praten en de kantine verlaten. Wie van wie is irrelevant, van belang is dat dit nooit heeft plaatsgehad. En toch lijkt dat wegrennen en de trein echt. Dat als ik stond waar ik toen stond, belachelijk met tranen en alles, jij mij toch vastgreep. Neppe omarming van jewelste, voor mij was dat het geweldigste.

Terug in een werkelijkheid van vroeger: kaarten aan een tafel. Dag in, dag uit. Snelwandelen naar een kantine om er twee potjes uit te halen.

Wat zou mij meiden.
Wie zou mij mijden.

Ik wil niet meer verglijden, het zelfmedelijden ontwijken, maar altijd zal weer blijken dat onherroepelijk evident: ik alleen mezelf vent. Wie heeft mij dit leven in mijn hoofd beloofd? De zege als mijn hart te zijner tijd per ongeluk dooft.

Ik si ik si wat jij niet siem

Straalkachel ik, stel mijn leven van zweet te weet aan hen met getergde interesse. Bloot noch naakt, blogt onverlaat.

Ik zoek woorden die bestaan, maar vergeten zijn door de tijd.

Misschien zoek ik mijn God in woorden — o god — alsof ik het haast zelf geloof. Ik ren weer, ik zie meer, ongeacht weer, keer of keer, dag na dag op voet van zeer. Herinner mij niet meer aan de verlaatten. Afvalemmers vol vergeten zinnen, ik schrijf ze iedere keer weer dichterbij. Alsof ook zij. Datzelfde doet, voorgoed.

Ik herinner mij wegfietsen toen ik zes of zeven. Ik kan in kan. Zie ik speeltuin jij schommel. Wij schommel. Ik hoor geen woorden, ik zie beelden die niet hebben bestaan.

Ik smeek om weghalen, toen, nu, toren, rem, ren, nu. Fiets, fiets harder, fiets verder. Mijn leven van zweet te weet aan hen met getergde interesse. Waarom ik die woorden nu. Ik probeer ik compenseer. Het succes is niet zozeer de verslapen tijd alsmeer het gestorven goed, niet echt dood maar wel kwijt.

Ik si ik si wat. Niet jij siem.

Mijn Spijt

Ik giet een ongezonde hoeveelheid zoet naar binnen terwijl ik mooie momenten memoreer. Verblindend, verstikkend; beide zijn zich nietszeggend aan mij voor gaan doen. Ik tel de streepjes van het lijden, de secondes tot mijn fatale ademhaalpauze.

De weilanden in de trein, ik herinner me je stem en dan sippe ogen. Dat jij niet meer van mij of andersom of dat wij samen stoppen; het is louter mijn onvermogen me ergens tot te verhouden, ongeacht wie. Je gelooft me nie, maar dit is hetgeen ik helder zie.

Een oud persoon passeert; zij die vier keer zoveel uren heeft overleefd als ik. Waarom weet ik op dit moment reeds dat ik dat niet haal? Woel ik door mijn kwinkgeslagen hart? Voel ik de helaasheid van mijn organen?

Mensen in tralies of in metalen blokken op ronde ijzeren wielen. Met mijn vrijheidsberoving vrijwillig en van korte duur als verschil, ik heb ze gesmeekt mijn brein op te sluiten en niet van zuurstof te ontsluiten. Maar men moet een maatschappelijke overtreding begaan wil men je mogen opsluiten. Een derde partij schade aanrichten. Nog zo’n vervloekt onvermogen: ik kan slecht toedichten. Alleen naar jou toe dichten zoals ik naar je inzicht dans.

Als mijn handen in je krullen verdwijnen, ik ben compleet de weg kwijt. Ik wou dat ik. Ik dweil de vloer op tranen de dag dat de douche ten ondergaat aan de hitte van mijn angstzweet. Dat ik een zwakke sul met sokken gehuld in undercoveroverhemd zoals ik mijzelf. Maar mezelf ben ik allang niet meer. Die verloor ik de dag dat ik oog ik oog met jou in een onvoltrokken ontmoeting. Wat niet klopte slechts datgene was wat wij beide gemist hadden die avond: dank voor een minder geëmotioneerde klank. Twee mannen op zoek naar Amerika.

We zeggen slaap maar

We zeggen slaap maar. Of wimpelen onszelf af naar andere gedachtes. Omwille van ‘zelfbescherming’. Omdat we niet hebben kunnen of überhaupt mogen huilen om de door ons gesloopte wereld.

Je hebt vast gemakkelijk praten. Met vliegreizen of je chemisch volgewassen dikkop. Dingen mogen niet kosten, maar moeten wel zijn en goed. Ik honoreer geen vriendjes meer, vooraleer ik verkeerd, artiesten of de duizend pagina’s van adoreer.

Zowel niet blijven als niet blijven snappen en niet blijven slapen zal je. Ik weet het fruit; ik eet je geheim. Iets van me zal altijd achterblijven, is nooit voltooid tevreden met dit lijdende bestaan.

Men kan immers niet al wakende de ondergang na het afgaan van een luchtalarm afwachten. Het was op de avond dat we samen aten dat een noodlot zich boven de provincie voltrok. Vuur plus chemicaliën is uitstoot waar water het geheel alleen maar erger maakte. Waar was het schuim? We zagen alles op tv, totdat de zee van hitte ook Hilversum opslokte. De rook de dodelijkheid zelve, konden wij niet anders dan onszelf opsluiten, afwachten.

Drie uur ‘s nachts. Jij moe, ik moe. Zeg maar slaap maar. Ik voel de onrust om je heen; weet dat dit niet het einde van een van ons of ons beide zijn mag. Ik pak de woelende hand en de stortvloed van emotie begint.

Daar staan we niet meer even te zijn

Daar staan we dan. We is jij plus ik. Bestemming weliswaar bereikt, het eindstation nog niet. Ik tik de verstikkende levensletters bij elkaar. Ik probeer dit een laatste keer; laatste debiele poging tot de zin – van de tekst of van het leven, is om het even, want ik zal blijven proberen ze met elkaar te combineren. Je leest het al, woorden in een veelvoud van tigtal.

“Gewoon, gaan gewoon.” Ik verafschuw levensmotto’s, mensen lijken te incapabel of onwelwillend om te veranderen. Een man maait het gras met een zeis. Dat verafschuw ik niet; het is het simpele. Een stok met een mes. Geen honderd onderdelen of een zee aan plastic, een stuk hout met een stuk scherp metaal eraan. Ook geen stekker, of elektronica, of zelfmaaiend apparaat, maar een mes op een stok. Ik wil dat ook. Niet die zeis, maar, de simpelheid. De simpelheid der dingen.

Ik word langzaam gek. Ik moet kiezen welke smaken er in mijn eten huizen, welke geuren mij schoonmaken of met welke geuren wij schoonmaken. De kleuren die me staan als banaan of als had ik een driedelig pak aan — ik wil gaan, ik wil gaan, ik wil gaan.

Alles wat ik doe is laten gaan.

A vaincre sans péril on triomphe sans gloire

Een oude klootviool strompelt straatstenen verderop. Oude zinnen, nieuwe woorden. Kan je afthansheid vergeten, zoals, zoals… zoals dat soms gaat, gebeurt.

Shirt op de grond, glas water omgestoten, deur wagenwijd open. Hallo? Wat zou het? Shirt aan de kapstok, glas water in de mond, deur potdicht afgesloten. Hallo? Wat het zou. Zelfs dit kan nog: shirt gestreken opgevouwen op een stoel, leeg glas waarvan het water nog in de kraan opgesloten zit en deur door politie ingetrapt. Hallo? Zou het wat?

Oké. Shirt kapotgescheurd in een vuilnisbak, glazen met water hebben nooit bestaan en de deur is een schuifdeur. Ook dat kan, net als dat anders kan.

Appel op. En eigenlike is om jezelf lachen, jezelf leuk vinden, of tegenwoordig dan: de eigen status op Facebook liken. Doe maar vijfhonderd gram, twee kilo, wat zou het mij doen? De wind houdt op met waaien; we leven louter visioen. Het opstaan laten ver(der )gaan.

Du sublime au ridicule il n’y a qu’un pas

Vaak, ik maak momenten menigmaal moroos. Dan deel de onzin; wees op een hoede als de tijd zorgvuldig secondes minacht. Ik weet hoe weken geleden het min acht. Onbevattelijk ongenezen ronddolende in een brein dat nu anders kent. Niets verwachten willen. Het killen van de zestig minuten die bijna zorgvuldig een vorm van ‘een uur’ construeren. Eenvoudiglijk weglopen; brug te ver, ik ontgrendel om nadien beter te vergrendelen. Wij zijn geopend. Ik—ik haat willekeurige opeenvolgingen van momenten. Het verhakkelt. Dit is het eindpunt van deze zin. Geloof ik graag in een betere wereld. Dit schrijven is hetzelfde: je leest en dan wat. Dan daarna het volgende stukje. Of eten of studeren of ontspannen of weggaan.

Wegslippende gedachten.

De pyrrusoverwinning: van nul en gener waarde

Indrukken, iemand claimt dingen te hebben ervaren, maar er wordt geweten beter: knopjes alom.

Indrukwekkend, de indruk wekken dat het voorwerp indrukbaar is. Iedere dag een beetje meer kennis. Maar wat is de waarde van kennis als er zoveel stront tussenzit? Als je niet kan weten wat waarheden zijn. Aannames. Zijn aannames correct? Als je de bal leuk door kan passen, zekerweten. Maar de passen die ik bezit moeten in een automaat, of zorgvuldig achter elkander gezet worden op streetstenen, maar liever nog in gras. Het liefste in een schelpenpad. Een schelpenpad, dat is een pad die niet in drassig moeras, maar met schelpen. Geen schelle stem, maar een schelle pen. Een pen die rafelige randen tekent. Teken zijn stom. Je blijft denken, maar de gewaarwording zal ten derden malen minder zijn geworden.

Ik sta klaar. Het gaat niet om overwinnen, maar om zijn. Vooraleer wij samen zijn dan. Ik vergeet dit niet. Ik verbind het blijdschap aan het eigen, al zal ik blijven proberen de wereld te redden. Iemand moet dat doen, toch? Toch? Omdat de lach, wij blij, wereld kapot. Zolang ik met de supermarktshit door mijn strot. Soms bot, maar wat waar is is vooral weggevlogen wat?

Oké; de massa deint mee op het geslurp van de thee. Je denkt aan samenstellingen met voorbedachte raad – al prefereer ik hier het onbekendere gepremediteerd – zie hier, het tegenovergestelde van een apocrief bericht. (Als)of je het eerder las.

Bjeaubljo

Gij geniet expliciet,
Alsof het dan vergeetmeniet-
je weet dat we zweven,
en aan tijdwijzers kleven.

Gij schrijft stront
Boffen wij terstond
Dat we zullen lezen
Totdat we luisteren
Naar de klanken van
Allemachtigjezusgod

Alsof wij pleisters plakken tijdens vakantie

Dat de fieltenstreek verachtelijk is wil wat mij betreft ook zeggen dat je cranerieën stoppen mogen. Jij ervaart dat niet zo. Zelfkennis met gebreken is het gebleken. Wreken allicht, maar ontweken zo het betere: jij zal dezelfde woordenkots ‘spreken’, volgens afspraak, maar niet meer volgens gevoel. Ik drijf met intuïtie mee: afval hoort in een afvalbak maar mensen toch niet in betonnen dozen? Geef ons de natuur terug. Jullie asfalteren bomen, en beredeneren dat die drie procent die daarvan wakker ligt er  wel overheen komt. Maar er zijn er zoveel aan wie we het niet kunnen vragen: de eendjes en de lieveheersbeestjes. Zij liggen er heus wakker van. Dat nam ik vanmorgen waar. Zolang het beleid en jij ‘s ochtends benzineslurpend versgeschoren meer kapot mogen (en kunnen) maken, wat zou het? Het zou de wereld an sich kunnen slopen, gelukkig kan jij gelukkig zijn met je waardeloos dure spullen.

Je bent zo ver van de werkelijkheid, met je kortetermijnvisie (als het al een visie mag worden genoemd), zo ver. En iedere dag is een stap verder richting kunstmatige gelukkigheid. Meer maken, meer consumeren, meer mensen. Ik haat je iedere dag een beetje meer.

Maar besef je verdomme waar je op vakantie gaat. “Ongerepte natuur.” Ja, m’n reet, want daar dan hutje-mutje met dertigduizend andere mensen omdat je al het andere voor ons gesloopt hebt. Je moet je kapot—maar het liefst dood—schamen.

Ik zeur, maar jij maakt dingen onherroepelijk kapot. Dat is erger.

Lieve politiek, klein verzoek: rot allemaal maar op. Jullie reanimeren constant een economie die aan alle kanten opengereten dood ligt te bloeden. Zonde van de tijd, zonde van de natuur.

Wordt vervolgd.

Alsje-alsje-alsjeblieft

Geen godvergeten klotequotes, geen nietszeggende en binnen een dag vergeten eigenlijk niet-grappige maar bovenal niet-indrukwekkendheiddragende plaatjes. Geen troepwoorden over ‘mindsets’, wat dat ook moge zijn, met zeikerige adviezen over hoe je je leven dient te leven. Met hier moet je aan denken, zogenaamd fantastisch, en dat moet je zeker doen, dan wordt het leven stukken leuker. Het is veel te veel om jezelf nog recht mee aan te kunnen doen. Ga terug naar de basis, terug naar jezelf. Niet naar wat je denken moet van.

Je angsten opzij leggen is wat je ‘moet’. Zoveel manieren die we allang weten. Je hoeft me niet te herinneren aan. Ik weet al dat ik moet eten en drinken, sporten, doorgaan, belonen, de ‘geestelijke toestand’ juist krijgen, positief zijn, de kleine dingen, creatief, mezelf accepteren etc. Maar moet het verdomme allemaal zó expliciet?

Iedere keer lees ik dezelfde crap: “ik houd niet van winter”. Wisten we al, kutjanus. Leer ermee omgaan maar bovenal: bevuil mij niet met dat wat is en niet anders is. Of: “ik kan alles doen.” Fantastisch, je kan alles doen maar je valt mij lastig. Of: “Ik ben zo druk.” Balen. Je regelt het maar. Het zit sowieso zo: je kiest voor alles. Alles is een fucking keuze. Dus kies je te veel, zit dan lekker op de blaren maar ga verdomme niet je cirkel van mensen bevuilen met je eigen tekortkomingen.

Owh kijk, mij genieten van mijn vruchtensapje, laat ik er driehonderdzesentwintig foto’s van maken en dat delen met de ‘wereld’, onee; ‘vrienden’, excuus. Al die achthonderddrieenzestig vrienden moeten dat trouwens leuk vinden, anders verzuip je in het zelfmedelijden in de veronderstelling dat zij jou niet meer mogen, wat ook klopt. (Zij houden het voor zich, net als ik. Toch nog een overeenkomst.) Terwijl de waarheid is dat we er niet over nadenken, dat niemand er iets om geeft. Dat je ook wel bestaat zonder het delen van nietszeggendheid, dat je daar zelfs meer kracht uit putten kan. Je zal zeggen dat ik gek ben en de waarheid niet onder ogen kan zien. Je zal zeggen dat er ook ‘iets van’ mooiheid tussenzit: maar als je driehonderd foto’s maakt zit er heus eentje tussen die mooi is. Fantastischer en unieker (als dat bestaat) wordt het wanneer je er vijf maakt en ze zijn alle vijf mooi de moeite waard, nietwaar? Zeker wel warempel waar.

Nobody cares. Het zal me een worst wezen dat je niet voorspellen kan wat de toekomst je geven zal. Ik zeg dan: je moet een gegeven feit niet de tanden uit de bek slaan. Je angstaanjagend verdriet is een barre eenzaamheid; ik ben zo zat dat alles wat ik lees zo ontzettend expliciet benoemd moet worden. Het mag niet mooi of interpretabel. Dit is de betekenis en kijk hoe fantastisch ik voor mijn lezers schrijf. De enige waarheid van de blijk van waardering is dat je lezers zelf gelezen willen worden. Stop. Fout. You’re doing it wrong. Je geilt immers op aandacht. In den beginne leuk, maar het zal je nooit tot een staat van verroering brengen. Quotidiana vilescunt. Zoek maar op. Word je een grote sterke meid van. Ik schrijf voor mezelf en als je het niet leuk vindt dan ga je maar ergens anders heen. Niet mijn probleem. Jij noemt het star en onaardig, maar als ik het voor erkenning deed had ik reeds ruim achthonderd keer beter kunnen stoppen en een andere wemelendere hobby kunnen zoeken. Mijn minder bescheiden mening meen ik slecht(s).

Voor nu zeg ik toedeloe. Het is te paradoxaal en te triest voor woorden (proef de dubbelzinnigheid of ironie, naar ‘keuze’) want zelfs in lusteloze woorden zal ik lezen.

Slechtnieuwsgesprek

Vandaag ben ik er klaar mee. Waarheid dit, waarheid dat: wetenschap, ik ben je behoorlijk zat.

Dan maar kapotte werelden. Op school leer je elkaar te respecteren. Wat doen volwassenen? Ze knallen voornamelijk met geweren. Wat zou het mij als het allemaal weggaat? Als ik blij, lig ik er klaarblijkelijk niet wakker van dat een Djiboutiaan van de honger vergaat?

Beetje jammer, dat het gezond verstand vastgelegd ligt in regels en wetten. Er zullen altijd mensen zijn die ‘the hard way’, die raar of afgeremd, die niet kunnen leven zoals het hen bestemd. Graag maak ik de wereld perfect, ieder een hutspotgodsdienst waarin niemand gewelddadig lekt. En dan? Is het dan — na het zweet en de tranen (geen bloed, snappie wel) — goed? Zal er niet altijd iets te repareren zijn?